is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem, zijn ellende scheen af te nemen : hij voel-hoorde het jammeren van zijn ziel minder nu in het ontzaglijke klaag-rumoer, dat hem wijd omringde.

Maar na een poosje voelde hij plotseling eene onaangename verkilling over zijn geheele lichaam komen; alleen zijn hoofd, pijnlijk dof-dik nog, gloeide heviger dan ooit. En diep in zijn borst was een fijne, aanhoudende kriebel, die — hoewel niet pijnigend — hem toch hevigen angst aanjoeg en op den duur onuitstaanbaar werd .... Plotseling hoestte hij langdurig en benauwd, in overmatig pogen zijn lichaam vooroverschokkend, zoodat het scheen, als zou hij breken onder z'n eigen geweld . . . maar het slijm zat vast, bleef hem benauwen als het begin van een langzame verstikking. En te gelijk kwamen de gedachten aan zijn toestand in nog overweldigender verschrikkelijkheid hem kwellen: in zijn ontstelde verbeelding zag hij zich ziek liggen, door iedereen verlaten, in een huis zonder vuur, zonder verzorging, zonder eten, langzaam krepeerend door kou, honger en ziekte... den vreeselijksten dood.

Want wie zou hem nog willen helpen? . . Niemand, die hem een cent meer zou leenen .... Zijn ouwe vrienden? ... Ze hadden hem geholpen éen voor éen .. .: die vrijwillig, een ander op voorwaarde van teruggave .... Sommigen hadden 'm al verscheidene malen geld gegeven. Maar nu behoefde hij nergens meer te vragen ... ze groetten hem niet eens meer op straat,