Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tikken van den slinger-klok waren een tijdlang de eenige geluiden.

Onbewegelijk zaten ze ieder aan een kant van de rommelige, wit-overdekte etens-tafel, die met éene zijde tegen den muur aan stond . . .: zij — een tenger, bleek menschje met slap-droeve trekken, éen hand onder de kin nu, de wijsvinger overlangs tegen de saamgeplooide lippen gedrukt, wat een tic van haar was — tuurde droomerig voor zich uit, als zon ze, om nog meer te vertellen. De ander zat in overstoorbaar rustige afwachting, zich niet de minste moeite gevend het gesprek gaande te houden. Hij was een forschgebouwde jonge-man van drie-en-twintig jaar, met goedig-blikkende blauwe oogen en roest-rooden knevel in het gezonde, vastberaden gezicht, netjes omkapt door gelend-rood haar. Alleen de ingevreten smeervlekken hier en daar op zijn blanke, goedgevormde handen bewezen den handwerkman.

Langzaam vorderde de tijd. Een enkele maal

nog zei zij wat, en dan antwoordde hij met een knik van zijn hoofd, een handgebaar of een kort, onverstaanbaar gemompel. Maar den meesten tijd zaten ze sprakeloos.

Plotseling stond hij op uit zijn soezend zwijgen, hoog zich rekkend in wild-warrelende tabaks-nevels.

„Gofferdomme, wat ben ik lui!" — geeuwde hij. Maar als schrok hü van zijn eigen woorden, liet hij zich schielijk neer, vierkant op de voeten, en:

Sluiten