Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nou, dag moeder, 't Is m'n tijd" — boog hij zich voor een zoen tot haar over.

„Dag jongelief. Tot Zaterdag. En goeie reis

dan maar weer" — zei ze zacht, zuchtend.

Zoo dikwijls al — eiken keer, als hij naar zee vertrok — had ze dezen wensch herhaald, 't Was daarna even stil weer in het keukentje, terwijl hij zich in der haast nog een versche pijp stopte.

„En nou maar niet meer piekeren, hoor! 't Helpt je toch niks" — zei hij ruw-goedig, vertrekkend.

Zij knikte hem zwijgend achterna, met een verdrietigen glimlach, dankbaar voor zijn lompe, maar goed gemeende vertroosting. Dan sloeg de deur dicht, en ze was weer alleen in de kleine ruimte... alleen als alle weken: tot den Zaterdag.

Met een mistroostigen, bijna-ontevreden trek op het vervallen gezichtje bleef ze zitten, krachtloos saamgedoken , den éenen elleboog licht steunend op de tafel, de handen inéengevouwen, strak turend voor zich uit zonder te zien, in droef gemijmer met vochtig-glinsterende, kleine oogen. Een heele poos zat ze zoo, roerloos, als versuft; alleen schudde zij soms zachtjes meewarig het hoofd in zelf-beklag, en dan verslapten haar zwakke trekken nog meer: als zou haar verdriet zoo in een zacht huilen uitbreken.

„Niet piekeren" — had hij gezegd. „Niet piekeren"... Ja, hij had maklijk praten niet piekeren ! Hij zat niet den heelen dag alleen, had bovendien

Sluiten