is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen was hij in de lange gang onder de commandobrug, een nauwe kloof met aan de éene zijde de hutten van een deel der equipage, en aan de andere de kombuis en de machine-kamer, 't Was er stik donker, en hij kon er niet recht-op gaan. Behoedzaam ging hij verder, bij eiken stap het fijne gruis verknersend onder zijn voeten.

Bij zijn hut gekomen — die hij met den „Eerste" deelde, — wilde hij de zware deur openduwen. Maar deze stokte. Door een kier kon hij zien, dat er binnen licht was.

„Nou, nou"... — mompelde hij verbaasd, licht verontwaardigd. „Wat zal 't nou weze? Niet eens in m'n eigen hut komme?..."

Met een driftigen ruk van zijn geheele lichaam bonkte hij tegen den weerspanningen wand. Toen nog eens met nog grooter kracht. Eindelijk week de deur met een vervaarlijk kraken. Gerard stapte binnen; een dik-warme, on-frissche lucht sloeg hem tegen. Nieuwsgierig keek hij achter de deur, wat er in den weg was geweest.

Aan diè zijde van de hut waren de beide kooien: donkere, lage bakken, boven elkaar door witte gordijntjes afgeschoten. In de onderste ruimte, half er buiten, de lange beenen op een scheepskruk, lag een magere kerel met rood-opgezetten kop te ronken, een laffe glimlach rond den half geopenden mond en de dikke oogen. Hij scheen daar zoo maar neerge-