is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem. Schielijk liet Gerard zich van de reeling glijden, met iets eerbiedigs in zijn houding tikte hij even aan zijn pet.

„Meester, kan je om tien uur stoom hebben?" — klonk het kort, flink.

„Zeker kapitein, ik zal ervoor zorgen."

„Ik reken op je."

Gerard was weer alleen.

Verbeeldde hij het zich, of legde de Kapitein werkelijk bizonder den nadruk op dat „je": „ik reken op joü" ...? Hij voelde zijn eigenwaarde erdoor toenemen, in zijn borst zwol weer die prettig-tintelende gewaarwording: de trotsche liefde voor zijn vak.

Hij keek op zijn horloge: „bij negene." Het werd tijd, dat hij naar beneden ging om de boel nog eens na te zien. Hij klopte zijn pijp uit, en liep hetzelfde gangetje in, waar zijn hut was; maar nu een deur rechts binnengaande, kwam hij in de machine-kamer. In een hoek van de geheel-ijzer-omwande ruimte hing een flauw-lichtende scheepslantaarn, het glas vettig en vuil, bijna ondoorzichtig als hoorn. Het ijzeren rooster, waarop hij liep, hol kletter-rammelende onder zijn zwaren hinkenden stap. Hij daalde een trapje af — smal en steil, als dat in de midscheeps — en kwam in een soort tusschem uimte, bijna geheel gevuld door de twee hout-omkleede cylinderkasten, die slechts langs éen der scheepswanden een nauwe doorgang lieten naar het laddertje, dat nog verder naar beneden voerde.