Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gerard draalde hier even, onderzoekend tastend naar een kraan, een bout, en mompelde dan wat, als om zich later zekerder te herinneren. Dan vervolgde hij zijn weg verder om laag in aanhoudend dikker-wordende duisternis, steeds meer in het nauw tusschen de ontzaggelijke machines. Bijna loodrecht schokte zijn forsch lichaam, weifelloos in het dagelijksch doen, neer langs den ijzeren ladder, en stappelings telkens vergrijpend schok-schoven zijn handen mee langs de stijlen. Eindelijk klonk een hol-metalige stamp: hij was er.

Even stond hij roerloos, als beduizeld starend om zich heen: Windgeslagen een oogenblik door de al-omme duisternis, bang zich te stooten aan de scherp-uitstekende machine-deelen, die hij hier vlakbij rondom zich wist.

Wat donder! waar zat Gijs nou weer?... Die most er toch zijn: de donkey-man, bij zijn vuren. En waarom had-ie geen licht an hier: hij kon toch in het donker z'n machine niet gesmeerd hebben?"

Plotseling hoorde hij op korten afstand het zware slot van een vuurhaard openklekken; een schop, schor-schrapend over ijzer, stiet met rochelend geluid zich vast in een dichte kolen-massa, dan klonk het flitsen van het gruis, krachtig weggeslingerd diep in de vuren .... allen bekende geluiden. Dit alles herhaalde zich eenige malen; een haard-deur kiekte dicht, een andere open, kiekte ten laatste ook weer toe. Daarna bleef het stil.

Sluiten