is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

... Gijs was aan het stoken; diè was tenminste op zijn post — gingen zijn gedachten. — Hij zou alvast op tijd stoom hebben, dat was één geluk.

„Gijs!" — riep hij kort, gebiedend, zonder zich nog te verroeren.

„Meester" — antwoordde lusteloos, gehoorzaam een schorre stem van de vuur-plaat.

Klomp-sloffende passen kwamen langzaam aanzetten. Een zwak ros schijnsel deinde uit in de machinekamer , deed talrijke vreemd-gevormde voorwerpen plotseling op lichten uit het egale duister. Even later stond een lange magere kerel vóór hem, met kleine, slaperige oogen, den bezweeten tanigen kop nog schonkiger schijnend door schaduwen van aanklevend kolenstof; om den hals had hij een gevouwen goor-gelen doek geknoopt.

„Mos' je mijn gehad hebbe, meester?" — vroeg hij suffig.

„Ja. Wie anders?" — zei Gerard knorrig kortaf. „Waarom heb-ie je licht nog niet an?"

„Me licht?..." — herhaalde de man lijzig, stomverwonderd. Zijn stem klonk onzeker, als had hij een spraak gebrek. Gerard keek hem even streng onderzoekend aan: zijn achterdocht was al opgewekt, toen hij Gijs bij het binnenkomen meende te zien wankelen — Maar misschien had de vent juist wat zitten slapen — bedacht hij — den heelen dag ook had hij de donkey voor zijne rekening gehad, om stoom voor z'n windsen