Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den weg; wel stonden de meesten even stil, verwonderd die ijlings-trekkebeenende gestalte na-oogend; maar dan liepen ze weer door, onverschillig, vermoedend dat het wel weer niets bizonders zou zijn: een standje, een vechtpartij of zooiets, zooals je er dagelijks wol tien kon zien in de stad.

Maar na vijf minuten raakte Gerard uitgeput, de adem kwam hem de borst bijna niet meer binnen, en in zijn heup zette steeds hinderlijker een gloeiende pijn op. Een eind weegs moest hij stappen. Hij bedaarde wat, zijn gedachten gingen weer geregelder. Dadelijk zou hij thuis zijn. Wat zou hij aan z'n moeder zeggen ? Een leugen ? ... Ze zou het merken ,... en ook: wat zou het helpen ? ... O God, maar zijn moeder te zeggen, dat hij iemand... De schrik!... Het arme, goeje menschje... bij al haar ellende dit nog.... Dat overkwam ze niet!... En dan, en dan?... Zij zou hem wel vergeven...: ze wist dat-ie driftig was — hoe dikwijls had ze 'm gewaarschuwd .... Maar de wereld, de strenge menschen, die vergaven niet; het kon hun wat schelen, dat hij jaren achterèen moest zitten in een cel... In een cèl... dat hield hij geen jaar uit!... En dan: voor goed de gedachte bij je, dat je een moord ...

... Maar was hij dan slecht? ... Hij was toch niet

gemeen ? Hij was toch niet gevaarlijk, valsch

valscher dan een ander ? .. Een moord, een moord ... Ze zouën 'm er tóch altijd op blijven aanzien

Sluiten