is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat zou er nu nog van z'n leven worden, z'n heele, lange leven van jaren... jaren. Het zou hem een last zijn voortaan .... En het had zoo mooi kunnen zijn, als hij maar niet driftig was geweest dat éene oogenblik. O jezus, jezus! het ongelukkige, het diep ongelukkige, dat zwaar aan hem hing, en dat hij nooit, nooit meer zou kwijtraken.... Een móórd!... Hij zou niks kunnen zeggen, dalijk; en z'n moeder zou vragen,

aldoor vragen, angstig, dringend vragen Als hij

eens niet naar huis ging? . • • Een moord

Plotseling hoorde hij vèr achter zich een schreeuw. Met een schrik-schok stond hij stil, om heter te kunnen luisteren. Vergiste hij zich, of hoorde hij goed ?... Nee! o God, daar was het weer: een lang-gerekt, onheilspellend : „Houdt 'm ...!" En die roep zwol aan tot een machtig: gedempt rumoer, een veel-stemmig jagend rellen , dat breed achter hem aanzette door de Rozestraat.

Daar kwamen ze! O jezus, daar waren ze al!

Hij was weer begonnen te hollen, heviger hinkend nog dan te voren. Hij kon bijna niet voort, maar hij moest. Er was een redeloos verlangen in hem eer dan zijn vervolgers thuis te zijn, als zou hij daar veilig wezen.

Hij was er nu gauw. De huisdeur stond aan. Woest stiet hij haar open, hijgend rende hij de gang door, de trap op, nog éen Toen was hij er.

Plots stond hij in het volle licht van het stil-intieme keukentje.

„Hè, wat is dat?... Gerard!" — staarde het oude