is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ziet u, mijnheer de baron, daar is de rentmeester met het volk!" De koetsier veroorloofde zich die opmerking, met de zweep aan den rand van zijn hoed.

De laan maakte een bocht, en het rijtuig reed nu op de hooge, gewelfde inrijpoort af, die langs de schuren en bijgebouwen toegang gaf tot de boerderij. De boog was met vlaggen en beukenloof versierd, en aan weerskanten stonden de knechts en meiden van het goed en de boeren met hun vrouwen en kinderen opgesteld. De mannen rechts, en de vrouwen en kinderen links.

Zoodra de menigte het rijtuig in het oog kreeg, begonnen zij met mutsen, hoeden en doeken te wuiven, en barstten in een bulderend hoera los.

„Ze houden zeker veel van je, Helmuth?" zei de barones.

„Nou ou," meende Helmuth, ,,'t zal nog wel meer de rijstebrij en 't kalfsvleesch zijn, waarvoor ze zoo hoera roepen!"

De rentmeester en de opzichter over de boerderij stonden ieder voor zijn eigen schare. Allen waren in hun Zondagskleeren. De rentmeester had een pasgesteven boordje en een hoogroode das om. Die van den opzichter was grasgroen.

„Lang leven onze genadige heer baron en zijn jonge bruid!" brulde de rentmeester.

„Hoera-aa!" schreeuwde de geheele bende en wuifde opnieuw met hoeden, doeken en mutsen.

„Gezondheid en een lang leven!" piepte de opzichter.

„Hoera-aa!"

„Dankje, menschen, dankje!" knikte de baron en lichtte even zijn hoed. En de genadige barones glimlachte minzaam en wuifde terug met haar kanten zakdoekje, dat niet veel grooter was dan een dessertbordje.

En daarmee rolde de landauer donderend onder het gewelf, en er weer onder uit over de puntige keien van het erf. Het kasteel lag vóór hen.

De baron boog zich uit het rijtuig en zag met een