is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zon was achter de hooge donkere heuvels aan den overkant van de fjord gedaald; en het gladde watervlak achter den dijk weerkaatste als een spiegel de roode en gouden tinten van de lucht. Nu en dan dreef een losgeraakt nevelwolkje langzaam over de bedijkte plassen, bleef een oogenblik in een struik of in den top van een lagen wilg hangen, schommelde een poosje hulpeloos heen en weer, raakte dan los en dreef verder. Door de lucht ging een geruisch; dat kwam van een troep spreeuwen, die in lange, golvende zwaaien over het bosch vlogen, beurtelings stijgend en dalend, als een groot los net dat door den wind werd meegevoerd.

„Dat klinkt aardig, die klokken!" zeide Karen met het

hoofd opzij.

„Ja, heel lief!.... Zoo, nu houden ze op. Nu komen

de negen heilige slagen."

„Waarom noemen ze die „heilig" ?" vroeg Karen.

„Dat weet ik eigenlijk niet recht. Ik denk dat het drie slagen zijn voor elk van de personen der Drieëenheid."

„God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest!" dreunde het kind plechtig. „Gelooft u ook ^niet, jut frouw Jansen, dat het voor de negen Muzen is?" vroeg zij eensklaps.

„Ja maar Baby, het kan moeilijk allebei zijn."

„Neen. . . . Maar ik denk dat het voor de Muzen is!"

Karen zat weer met de beenen te schommelen. Zij leunde achterover op de bank, met den nek en de uitgestrekte armen tegen de rugleuning gesteund, en staarde in de lucht. Haar jurk was over haar knieën opgeschort, en een stuk van haar bloote blanke beentjes was zichtbaar tusschen de bovenkant der kousen en den benedenzoom van het met kant bezette broekje. #

„Nu moest oom Alex hier zijn en me een zoen geven!" zeide zij, terwijl zij zachtjes neuriënd het hoofdje over de bankleuning heen en weer bewoog.