Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naars, die de kloosterlingen begonnen te vervangen, naar de woorden van Viollet-le-Duc, „onder de kruiden de kleinste plantjes opzochten, hun kiembladen, knoppen, bloemen en vruchten bestudeerden en uit niet anders dan de motieven dezer bescheiden flora een oneindige menigvuldigheid van ornamenten schiepen van een stijlgrootheid en geserreerdheid in teekening, die de beste voortbrengselen der romaansche sculptuur ver achter zich laten." Doch ook in de toepassing der gelijksoortige motieven valt er overeenkomst te zien tusschen het begin der dertiende en het eind der negentiende eeuw. „Bij alle vrijheid, ja willekeur, in het kiezen der vormen, volgen onze modernen een strenge wet, die van de zuivere vlakversiering, zoodra het geldt een vlak te decoreeren, zoowel bij de drukkunst, het boekbinden, de wandschildering, het borduurwerk en het drukken van versieringsstoffen, als bij het glasschilderen. Is het dikwijls gezegd, dat de „nieuwe stijl" zijne beste resultaten bereikte in de eigenaardige versieringskunst bij de hiergenoemde soorten van werk — hij heeft die bovenal te danken aan dit gezonde, van de gothieke kunst overgenomen, grondbeginsel geen lichamelijkheid voor te wenden, waar het materiaal, het geborduurde vlak, het glasvenster, deze uitsluit. Daarmede gaat het ruim gebruik van de omtrekken, evenzeer een erfstuk van de Gothiek, hand in hand."

Sluiten