Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de beschouwing van Luthmer te mogen begroeten als een „kentering" in de overtuiging van wie men de officieele beoordeelaars der kerkelijke kunst zou kunnen noemen.

Want ik zag een zoo heugelijk verschijnsel vooral in de onderscheiding door Luthmer gemaakt tusschen het „woordelijk ontleenen aan de vormenspraak van een bepaald kunsttijdperk" en het opnieuw betrachten der „diepste, leidende gedachten ervan."

Hier schuilt inderdaad de kern van het geschil tusschen de voorstanders eener „moderne" kunst en de aanhangers der leer, dat alleen het navolgen van een „historischen stijl" heil kan brengen. In Nederland, waar de geheele kunsthervormende beweging onder de katholieken voor een goed deel is geleid door het Sint-Bernulfus-gilde te Utrecht, werd de laatste theorie met de meeste kracht verdedigd. En laat ik dadelijk erkennen, dat, toen mannen als Mgr. Van Heukelum en zijne aanvankelijke medestanders de leuze deden hooren: Onze kerkelijke kunst moet tot de Gothiek terug, wil zij gezond worden — er alleszins reden was tot een sturen in die richting. Zij zagen een architectuur en nijverheid, die, van alle goede kunstbegrippen geheel vervreemd, door en door verkeerd waren. En daarnaast ontwaarde hun terugschouwende blik de zuivere kunst der middeleeuwen. Het is niet alleen geen wonder, maar het

Sluiten