Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschijnselen — gelijk kunst er een is — absoluut door stoffelijke worden bedongen, voor een oogenblik wil accepteeren, ook dan blijft het nog een raadsel hoe het ontbreken, juist van christelijke kunst, het gevolg zou kunnen zijn van maatschappelijke omstandigheden, die toch voor de onchristelijke kunst geene andere zijn geweest. Blijkbaar waren de oeconomische verhoudingen zoodanige, dat zij den bloei der Haagsche schilderschool niet in den weg stonden, dat zij onze gebruikskunst een zeer hoogen vlucht lieten nemen, dat zij het eerste ontluiken van een nieuwe architectuur mogelijk maakten. Alleen de herleving eener christelijk-bezielde kunst zouden zij dus belemmerd hebben. Blijkbaar hapert er iets aan deze redeneering.

Ik ben er verre van de invloeden door de oeconomische omstandigheden op de kunst uitgeoefend, te willen loochenen. Vooral op de architectuur werken zij krachtig.

Maar deze legitieme erkenning, van de rol door maatschappelijke toestanden in de kunstgeschiedenis gespeeld, rechtvaardigt het nog niet den invloed van geestelijke factoren te loochenen. Want wat wij in de middeleeuwsche kathedraal bewonderen, is toch niet in de eerste plaats haar constructiesysteem, noch de minutieuse bewerking van hare materie om-zich-zelve. Integendeel, wij waardeeren die slechts als de middelen, waar-

Sluiten