Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kende men geen literaire eigenliefde en schrijversijdelheid: het was immers al te duidelijk dat een doctrine niet het eigendom was van wie haar verklaarde, maar gemeenschappelijk van de Kerk. Een boek schrijven was in die dagen tot zekere hoogte een werk van barmhartigheid verrichten, door, hoe dan ook, de waarheid aan zijn naaste te verhalen.

Zoo wordt het begrijpelijk, hoe wij ook bij Nederlandsche dertiend'eeuwsche auteurs telkens vermeld vinden, dat zij geen eigen werk leverden, maar een vertaling en zich op orgineelen beroepen, zelfs waar zij ongetwijfeld oorspronkelijk zijn: het gold als een aanbeveling niet de voortbrengselen van eigen geest, maar die van anderen, ouderen en wijzeren, te verbreiden.

Maar nu is het ook duidelijk, dat de geheele schat van middeleeuwsch gedachteleven ten slotte is terug te vinden in enkele uitgebreide werken, meest uit de dertiende eeuw, die het résumé zijn van al wat in de voorafgaande eeuwen van het Christendom door de meest gezaghebbenden was te boek gesteld.

Inderdaad vindt men alle Bijbelcommentators samengevat in de Glossa Ordinaria van Walafridus Strabo, de geheele Liturgie in het Rationale Divinorum Officiorum van Durandus, geest en methode der oude preeken herleefd in den Speculum Ecclesiae van Honorius van Autun. De gewijde- en

Sluiten