Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een goed deel der na-middeleeuwsche architectuur is hiermede veroordeeld.

Waar is, om dicht bij huis te blijven, de innerlijke rechtvaardiging der over twee verdiepingen doorgetrokken pilasters aan zoo menig huis op de Amsterdamsche grachten? Nog daargelaten, dat het nuttelooze aanplaksels zijn, huichelen zij een binnen-ordonnantie, die nergens voorkomt. „Het ziet er uit," werd door een Fransch architect gezegd, „alsof die huizen oorspronkelijk voor reuzen zijn gebouwd en later voor gewone menschen ingericht". Hier heeft de buitenmuur dus reeds opgehouden middel te zijn en is zelf doel geworden. Uitnemend is deze wezensverandering beschreven door Viollet-le-Duc. „Eerst sinds de zestiende eeuw" — zegt hij — „heeft men gevels opgericht, zooals men een versiering vóór een gebouw zou zetten, zonder zich veel te bekommeren om het verband van dit plakwerk met de inwendige gesteldheid. De ouden wisten evenmin als de middeleeuwsche bouwmeesters wat het beduidde, een gevel met geen ander doel gezet dan om de oogen der voorbijgangers te streelen.

„De buitenzijden der goede monumenten uit oudheid of middeleeuwen zijn niet anders dan de uitdrukkingen van den inwendigen toestand. Voor de kerken b.v. zijn de voornaamste gevels — die tegenover het choor — niet anders dan de dwarsdoorsneden der schepen. Bij de huizen bestaan

Sluiten