is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle mogelijke werelden, de bestaande wereld de beste, volgens de pessimistische uitspraak van Schopenhauer is zij van alle mogelijke, de slechtste. Dit wekt in hem, bij het aanschouwen van de tallooze rampen die deze bestaande wereld vervullen en waarvan zijn droefgeestig en zwaarmoedig karakter slechts de duistere zijde ziet, niet alleen den drang om de gehechtheid aan dit leven te verzwakken en den wil er toe zelfs geheel te verloochenen, maar spoort hem tevens aan tot medelijden met de overige stervelingen, die met hem ditzelfde lot deelen, en wien hij, in overeenstemming hiermede, dezelfde verloochening aanprijst.

De wil tot het leven is echter te diep in het hart van den mensch gegrift, dan dat hij in staat zou zijn, hem volkomen uit zijn hart weg te rukken.

Zelfs de zelfmoord, die oppervlakkig beschouwd, eigenlijk niets anders moest zijn dan een volmaakte afstand, een algeheele verloochening van den wil tot het leven, is voor Schopenhauer juist het krachtigste bewijs, dat degene die er zich helaas toe laat verleiden, begaafd was met den meest teugelloozen, onstuimigen, niet te verloochenen, en niet aan zijn hart te ontrukken wil tot het leven.

De zelfmoordenaar stelt zich namelijk het leven voor, als het kostbaarste object wat er voor zijn wil ter wereld bestaat, als een goed van onschatbare waarde, en dat zich aan hem voordoet in den vorm van rijkdommen, eer, liefde, genot, enz. Door het leven streeft hij naar deze goederen, geniet hij van deze rijkdommen, verheugt hij zich in deze eer, koestert hij zich aan deze liefde, verzinkt hij in dit genot. Worden deze goederen hem ontnomen, verliest hij zijn eer, gaan zijn rijkdommen ten gronde, of wordt hij bedrogen in zijn liefde, dan verliest ook het leven voor hem zijn waarde, en tracht hij zich door den dood te verlossen van dit leven, dat hem voortaan een ondragelijke last is geworden.

Na dit alles wel overwogen te hebben, zal het geen verwondering wekken, dat Schopenhauer veel voelde voor, en zelfs dweepte met de boeddhistische wereldbeschouwing, en het Nirvana der Hindoes, met zijn volkomen vernietiging van het bewustzijn, hem bijzonder moest toelachen. Voor hem waren de Aziatische hooglanden van het Himalaya-gebergte de bakermat van allen godsdienst, het eigenlijke christendom niet uitgenomen, en van alle philosophie.

Te velde trekkend, en wel met al het geschut, waarover hij kon beschikken, tegen alles wat Mozes, Mohammed of