is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Luther hadden gepredikt, beschouwde hij als den eenigen waren en universeelen godsdienst, dien, welke het groote Azië aan het kleine Europa overgeleverd had, zooals Deutschtümler zegt.

Na in eenige korte trekken den toestand geschetst te hebben, waarin de wijsbegeerte zich bevond aan het einde der achttiende en het begin der negentiende eeuw, — een tijdperk waarin de strijd tusschen godsdienst en wetenschap, tusschen geloof en rede, tusschen geestesphilosophie en natuurphilosophie een aanvang nam — zullen wij Schopenhauer volgen in de lotgevallen van zijn voor een goed gedeelte zeer bewogen leven, in zijn reizen en zijn betrekkingen met eenige beroemde mannen van zijn tijd, om daarna tot de beschouwing van zijn werken, en in deze, van eenige meer belangrijke gedeelten over te gaan. Wij zullen er de goede zijde en de schaduwzijde van trachten te doorvorschen en de tegenstrijdigheden die er, op wijsgeerig terrein, ook niet aan ontbreken, uiteenzetten.

Zooals in de meeste wijsgeerige stelsels en wereldbeschouwingen, drukt zich ook in dat van Schopenhauer, — en wel op geheel bijzondere wijze, — het persoonlijk karakter van den wijsgeer af. Het grootsche genie van Plato ruischt door den verheven, idealen en nooit geëvenaarden stijl van zijn Boeken der Republieken; het oratorische genie van den redenaar weerkaatst in Cicero's wijsgeerige werken; zoo verraden bij Schopenhauer de lange, ja eindelooze en zware perioden, het onafgebroken jammeren over de ellenden des levens, de droefgeestige ontboezemingen, en de dikwijls terugkeerende onderwerpen zelf, zooals het lijden en de smarten van het bestaan, de dood, de zelfmoord, de verloochening van den wil, zijn weinig vleiende beschouwingen over de vrouw — zijn zwaarmoedig pessimistisch gestemd karakter en zijn zwartgalligheid en opvliegendheid.

Dit is dan ook de karaktertrek, waarop wij in dit boek meer in het bijzonder den nadruk zullen leggen, daar hij niet alleen het meest in zijn werken doorschemert, maar daarop zelfs een niet onbelangrijken invloed heeft uitgeoefend. Zooals de omstandigheden den mensch maken, en niet omgekeerd de mensch de omstandigheden, zoo regelt ook vaak de gemoedsstemming zijn gedachten, zijn daden, zijn opvattingen en zijn stijl.

Dit is dan ook de reden, waarom wij, afgezien nog van sommige tegenstrijdigheden, waarop wij reeds hierboven zinspeelden, niet in' alles „door dik en dun" met den „Ouden Heer* van Frankfort a/M. mede kunnen gaan. Waar uitspraken