is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

De Philosophie in de laatste helft der achttiende eeuw

en de eerste helft der negentiende eeuw.

Een philosophisch tijdvak omvatten van nagenoeg een geheele eeuw, waarin wij namen aantreffen als Fichte, Schelling, Hegel, Herbart, Schleiermacher, Jacobi, enz. en het in een enkel hoofdstuk van een boek zoodanig samenwringen, dat men veilig kan beweren, zich daardoor een volledige voorstelling te kunnen vormen van hetgeen er op het tooneel der wijsgeerige wereld zooal afgespeeld is geworden, beschouwen wij terecht als een halsbrekenden „tour de force" waaraan wij onze zwakke krachten, niet gaarne wenschen te wagen. „Qui trop embrasse, mal étreint," zegt het Fransche spreekwoord, en zoo zouden wij, door te veel opeen te stapelen, aanleiding geven tot een ideeënverwarring, waarin iedere gezonde idee verstikt en onze kennis veeleer verduisterd dan verlicht zoo worden.

Het ligt dan ook niet op onzen weg, hier in den breede uiteen te zetten, welke wijsgeerige stellingen en stelsels in dat langdurige tijdperk opgezet of verkondigd, welke nieuwe gezichtspunten geopend of afgebakend, en welke valsche, of onnauwkeurige theorieën en denkwijzen „afgemaakt" en verworpen zijn geworden. Dit meenen wij voor het goede begrip van de werken der Philosophen, welke in deze reeks van wijsgeerige studiën behandeld worden, reeds in voldoende mate gedaan te hebben, in ons eerste deel, over de „Algemeene Geschiedenis der wijsbegeerte van de vroegste tot op de moderne tijden."

Veeleer stellen wij ons in dit hoofdstuk ten doel, om den weiwillenden lezer, door eenige algemeene trekken en hoofdlijnen, in herinnering te brengen, welke de groote, meest bezochte paden waren, welke in dien tijd, — den tijd waarvan wij Arthur Schopenhauer als het middenpunt plaatsen, — op het uitgestrekte, ja grenzenlooze veld der wijsbegeerte gevolgd