is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kon bereikt, noch door den wil kon omvat worden. Zoo bleef den mensch, om het absolute te kennen, niets anders over dan het onmiddellijk bewustzijn, of het gevoel, waarom dit dan ook als de eigenlijke zetel van den godsdienst moest beschouwd worden. Hierdoor kwam hij in lijnrechte tegenspraak met Kant, die alles van de Rede, en met Schopenhauer, die alles van den wil verwachtte.

Schleiermacher oordeelde dat de godsdienst door het rationalisme aan het innerlijke van het menschelijk hart ontrukt werd; het eigenlijk wezen van den godsdienst ging daarbij geheel verloren en bepaalde zich in het rationalisme tot een louter weten, zooals men de aardrijkskunde, de algebra, de geometrie of een andere exacte wetenschap kent. Dit was met het gevoelvolle karakter van den leerling der Hernhutters niet vereenigbaar; voor hem had dan de stelling moeten gelden, dat diegene meer godsdienst bezat, die meer over God wist, zoodat de onwetende nagenoeg van allen godsdienst ontbloot moest zijn; tevens maakte het rationalisme rassche vorderingen onder een groot aantal zijner geloofsgenooten, wat aan zijn plan voor de vereeniging eener evangelische kerk groote bezwaren in den weg legde; door met zijn „gevoel" tusschen de wateren van het denken en het willen door te varen, hoopte hij gemakkelijker allen voor zijn godsdienstphilosophie te winnen.

De eigenlijke positieve geloofsleer van Schleiermacher gaat niet uit van het bestaan van God, van zijn eigenschappen en zijn wezen, maar behandelt op de allereerste plaats de ontwikkeling van het vrome bewustzijn en vervolgens zijn daden, goede of kwade, zooals ze door de aan haar tegenovergestelde zonde of genade bepaald worden.

Het gevoel, en wel het eenvoudige gevoel van afhankelijkheid is de eigenlijke zetel en het uitgangspunt van den godsdienstzin en der vroomheid, en bestaat in niets anders dan dat de mensch erkent en zich bewust is, dat hij in eenige betrekking tot God staat. Het allereerste gevolg hiervan is, dat — en hierdoor verzwakt hij wel eenigermate zijn eigen stelsel — geloofsleer en leerstellingen eigenlijk niet veel meer zijn dan opvattingen van een vroom bewustzijn, die met veranderde gemoedstoestanden eveneens gewijzigd kunnen worden, zoodat het haar, als leiddraad voor een practische geloofsbelijdenis, aan een hechten grondslag ontbreekt.

Inmiddels heeft deze geloofsphilosophie van Schleiermacher steeds een hoog aanzien en ijverige beoefenaars gevonden bij