is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jacobi vestigt zijn redegeloof op de overtuiging, dat evenals er een aanschouwing door de zinnen bestaat, zoo ook een rationeele aanschouwing door de rede gedacht moet worden. Tegen deze aanschouwing door de rede houdt evenmin een bewijsvoering stand als tegen die door de zinnen. Er heeft dus een onmiddellijke kennis door de rede plaats, die ons met zekerheid de waarheid doet kennen, en die, daar zij evenmin kan dwalen als de kennis door de zinnen, ook aanstonds het geloof wekt. „Het vermogen van het gevoel, — zegt Jacobi — is het hoogste in den mensch, en datgene, wat hem alleen specifiek van de dieren onderscheidt; het is een en hetzelfde met de rede, of, de rede ontstaat enkel en alleen uit het vermogen van het gevoel.

Tegenover Kant verdedigt Jacobi de waarachtigheid der waarnemingen door de zinnen en ontkent hij de aprioriteit van ruimte en tijd.

Overigens toont hij aan, dat ook Kant reeds van oordeel was, dat het verstand door zichzelf alleen ontoereikend was, om het bovenzinnelijke te kennen, en de hoogste ideeën der rede slechts door het geloof gekend konden worden. Vooral echter verzet hij zich, zooals wij reeds aanmerkten, tegen de atheïstische leerstellingen van de navolgers van het Kantsche kriticisme.

„Voor Kant, — zoo zegt hij, — hadden de woorden God, vrijheid, onsterfelijkheid, godsdienst, dezelfde beteekenis, welke zij van oudsher voor ieder gezond menschenverstand gehad hebben. Kant trachtte er niet mede te misleiden; men nam aanstoot aan hem, omdat hij onwederlegbaar aantoonde, dat alle bewijzen der speculatieve philosophie voor deze ideeën ontoereikend waren. In het gebrek aan theoretische bewijzen voorzag hij door noodzakelijke postulaten van een zuivere practische rede. Hierdoor was de Philosophie, zooals Kant verzekerde, volkomen geholpen, en het doel, wat zij tot dusverre steeds gemist had, in werkelijkheid bereikt.

Maar reeds de allereerste dochter der kritische wijsbegeerte (die van Fichte) maakte de levende en werkende moreele orde tot God, tot een God, die uitdrukkelijk van bewustzijn en van een eigen zijn verstoken is. Deze oprechte verklaring, wekte, daar zij openlijk en onverholen gegeven werd, toch nog weinig opzien.

Maar al zeer spoedig was de allereerste schrik bedaard. Toen onmiddellijk daarop de tweede dochter der kritische wijsbegeerte, (die van Schelling) het onderscheid tusschen natuur- en moraalphilosophie, tusschen noodzakelijkheid en vrijheid, dat de eerste