is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog had laten bestaan, volkomen, d. w. z. ook met name ophief, en zonder meer verklaarde, dat er boven de natuur niets, en zij alleen bestond, wekte dit reeds geen verbazing meer; deze tweede dochter is een omgekeerd, of een verduidelijkt Spinozisme, een ideaal-materialisme. , ,

Tegenover deze richting, waar het geloof een hoofdrol speelt, zien wij de reeks van idealisten, van rationalisten, die brekende met alle geloof, met alle godsdiensten en met alle openbaring, in de rede alleen het middel zien om de kennis der waarheid te bereiken.

Kant had daartoe, zooals wij reeds zeiden, in zijn kriticisme, den stoot gegeven, en Fichte trachtte hem te volgen, middelerwijl het subject en het object, dat door Kant behouden was, vervangende door het „Ik" en het „niet-ik."

Hij ontkende het bestaan van het object, of de werkelijkheid van de door de zinnen waarneembare wereld en kende slechts een werkelijk bestaan toe aan het Ik, het kennende subject.

Al wie echter, evenals Schelling, met een open oog de natuur beschouwt, die in het systeem van Fichte tot een dood lichaam gedegradeerd werd, zal zich met Fichte's verklaringen niet tevreden kunnen stellen. Schelling streefde er naar, het idealisme van Fichte te voltooien maar slaagde er niet in, een afgerond stelsel te vormen. Het „Ik" van t ichte vergelijkt hij met een eenarmige balans, waaraan het ternederdrukkende gewicht van het volkomen doode object, van de koude, niet werkelijk bestaande natuur is opgehangen. Om een gelijk evenwicht te bereiken voegt Schelling er den ontbrekenden arm bij, door aan de ontwikkeling van het „Ik" om tot de natuur té komen, de ontwikkeling der natuur toevoegt, om tot den

geest te komen.

Daarom stelde Schelling zijn natuurphilosophie op, waarvan hij de grondlijnen en de verdere ontwikkeling uiteenzette in verschillende werken, zooals: „Ideen zu einer Philosophie der Natur (1797) — Von der Weltseele (1798) — Erster Entwurf des Systems der Naturphilosophie" (1799). De natuur doet zich daarin aan ons voor als een enkelvoudig product vol levenskracht en zich voortdurend ontwikkelend, langs de hoofdtrappen van stof, licht en organisme, in wier hoofd, den mensch, de natuur tot het bezit van verstand geraakt.

Hoe phantastisch deze samenstelling der natuur uit oorspronkelijke krachten ook zijn moge, het feit alleen reeds, dat de natuur weder een met leven, en zelfs met een wereldziel begaafd wezen vormde, won der natuurphilosophie vele vrienden en beoefenaars.