is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoog boven de natuur, en boven alle wisselvalligheden, — zoo verklaart Schelling in de latere periode van zijn mystieke vrijheidsleer, — troont de godheid; daarom stelt hij op dit terrein het beginsel op, dat er in de absolute wereld nergens een begrenzing gelegen is, en daar God alleen het werkelijke en het absolute kan voortbrengen, is iedere volgende voortbrenging weder absoluut, en kan zij zelfs alleen iets dergelijks absoluuts voortbrengen. En daar er niets eindigs onmiddellijk uit het absolute kan ontstaan of daartoe teruggebracht kan worden, is dit eindige, dit tijdelijke en kwade niet anders te verklaren dan door een afval van of een breuk met het absolute. Langs den weg der analogie tracht Schelling vervolgens door den afval van het absolute de eigenschappen van tijd, ruimte en stoffelijkheid der zinnelijk waarneembare voorwerpen af te leiden en te verklaren.

De ziel, eveneens een afgevallen idee, en in de eindigheid tot een veel lageren trap van volmaaktheid afgedaald, heeft nog een rest van haar vroegere zelfstandigheid en haar vrijheid behouden, en bezit tevens het vermogen om goed of kwaad te doen, door zich of wel tot het absolute geheel terug te wenden, of door haar eigen egoïsme te volgen.

Later, in de periode zijner openbaringsphilosophie, verklaarde hij, onder den invloed van de werken van Jacob Böhme, dat niet alleen de grond van het goede en absolute in God was gelegen, maar ook die van het kwade. Daar God namelijk de grond van zijn bestaan is, is in Hem de grond, of datgene wat in God niet Hijzelf is, van den bestaanden God onderscheiden, ofschoon het niet van hem gescheiden is, noch gescheiden kan worden. Deze grond is de natuur in God, n.1. een onbewust streven, een onberedeneerde wil, die zich bewust tracht te worden. Uit de duisternis van dezen grond doemt het licht, een inwendige voorstelling, het eeuwige woord in God op.

Daar nu deze beide beginselen ook in den mensch gelegen zijn, maar in hem gescheiden kunnen worden, bestaat ook steeds de mogelijkheid dat het eene het andere, het licht de duisternis, of de duisternis het licht aan zich tracht te onderwerpen; triomfeert het licht, dan verricht de mensch goede daden, triomfeert echter de duisternis, dan maakt hij zich schuldig aan zonde, en daar de steeds voor zichzelf werkende wil van den grond in den mensch, alsmede zijn egoïsme, na den afval van het absolute boven het ander beginsel des lichts de overhand heeft gekregen, is de mensch van nature meer geneigd tot de zonde.