Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fransche Revolutie, en al de jammeren die zij na zich sleepte, stemden hem tot droevige gedachten, en moesten hem ongetwijfeld nog voor den geest zweven, toen hij later die zoo merkwaardig schoone passage neerschreef: „Willen en streven vormen het geheele wezen van den mensch; zij zijn aan een onleschbaren dorst te vergelijken; de grond van alle willen is echter de behoeftigheid, het ontberen van iets, en derhalve de smart, waaraan hij reeds vanaf zijn oorsprong en door geheel zijn wezen ten offer valt.

„Ontbreekt het hem daarentegen opnieuw aan objecten vóór zijn wil, daar deze hem door een al te spoedige bevrediging in zekeren zin aanstonds ontnomen worden, dan gevoelt hij zich door een ontzettende gewaarwording van leegte en verveling aangegrepen, d. w. z. zijn wezen en zijn bestaan worden hem tot een ondragelijken last. Zijn leven slingert dan, evenals een pendule, heen en weder tusschen smart en verveling.

„Als men iemand de ontzettende smarten en rampen, welke zijn leven onophoudelijk bedreigen, onder de oogen wilde brengen, zou hij door ontsteltenis worden aangegrepen; en als men den hardnekkigsten optimist door de hospitalen, de ziekenhuizen, de chirurgische folterzalen, door gevangenissen en slavenholen, over slagvelden en gerechtsplaatsen wilde voeren,... dan zou ook hij ten slotte inzien, van welke soort deze meilleur des mondes possibles is."

Afgezien van deze uitwendige omstandigheden, die, zooals wij alle weten, niet zelden een buitengewonen invloed kunnen uitoefenen op de gemoedsstemming van den mensch, erkende Schopenhauer later ook, dat het temperament zelf van den individu tot een zekeren graad van pessimisme of optimisme geneigd is, die door bovengenoemde invloeden wel uiterlijk duidelijker kenbaar is, maar niet naar zijn wezen verhoogd of onderdrukt kan worden. „Zooals bij de kennis, zoo is ook in het gevoel het lijden of het welzijn een zeer groot deel subjectief en a priori bepaald. In iederen individu is namelijk de 'maat van de opgeruimdheid of de droefgeestigheid, die hem eigen is, eens en voor altijd door zijn natuur bepaald, welke dezelfde blijft, hoezeer de uitwendige omstandigheden ook zouden afwisselen. Zijn lijden en zijn welzijn wordt derhalve niet van buiten af, maar alleen door deze maat, dezen aanleg bepaald, welke door den physieken toestand op verschillende tijden wel eenigszins kan verhoogd of verlaagd worden, maar over het algemeen dezelfde blijft, en niets anders is dan wat men zijn temperament of zijn gemoedsstemming noemt. Op de oorspron-

Sluiten