is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen moeder en zoon, en nam nog toe naarmate de aard van den geestesarbeid van Arthur ernstiger was dan die van Johanna. Verwend door haar omgeving, en zonder voorbehoud in al haar woorden en daden geprezen en goedgekeurd, kon zij het slechts met leede oogen aanzien, da,t haar zoon niet altijd dezelfde opvattingen koesterde als zij, en dit ook bij iedere gelegenheid duidelijk wist te kennen te geven.

Het is niet onmogelijk dat Johanna de gelegenheid van Arthur's puntdicht, wat hem te Gotha zoo euvel geduid werd en aanleiding gaf tot zijn vertrek naar Weimar, aangreep om „haar hart eens te luchten," en haar zoon kort en bondig onder de oogen te brengen, welke gedachten zij over hem koesterde.

De karakterschets, welke zij in een van haar brieven aan Arthur over hemzelf ontwierp, is te merkwaardig, dan dat wij haar hier stilzwijgend voorbij zouden gaan.

Weleer door haar echtgenoot in zeer voorname kringen geïntroduceerd, had zij zich met de hoffelijke wellevendheidsvormen der aristocratische standen en de goede manieren van het gezelschapsleven zeer vertrouwd gemaakt, en wist zich daarin met buitengewone ongedwongenheid, als in het aan haar karakter noodzakelijke element, te bewegen. De kort aangebonden toon van haar zoon, zijn vrijmoedigheid om zonder aanzien van persoon zijn gedachten uit te spreken, zijn zwaarmoedige en pessimistische karaktertrek riepen onophoudelijk het beeld van den overleden Floris voor de oogen haars geestes en brachten haar meer en meer in een stemming, die hem van haar verwijderd deed houden.

In een harer brieven schreef zij hem dienaangaande: „U is geen slecht mensch, u is ook niet verstoken van geest en ontwikkeling en bezit alles wat van u een sieraad der menschelijke maatschappij zou kunnen maken; tevens ken ik uw karakter en weet dat er weinig betere gevonden worden; maar toch is u uiterst lastig en onverdragelijk, en zie ik er bijzonder groote bezwaren in, om met u te leven. Al uwe goede hoedanigheden worden door uw aanmatiging verduisterd en voor de wereld onbruikbaar gemaakt, alleen omdat u de zucht om alles beter te willen weten, overal gebreken te ontdekken behalve in uzelven, overal te willen verbeteren en overtreffen, niet kunt beheerschen. Daardoor verbittert ge uwe omgeving hier; immers niemand wil zich op zulk een ruwe wijze laten corrigeeren en voorlichten, vooral niet door zulk een onbeduidenden individu als u nog is. Niemand kan het dulden, zich door u, die zooveel redenen tot opmerkingen geeft, te laten