is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

berispen, vooral niet op die hooghartige wijze, van op een orakeltoon botweg te verklaren: zoo en zoo is het, zonder verder zelf eenige tegenspraak te vermoeden. Waart u minder dan gij zijt, dan zoudt gij slechts belachelijk zijn; zoo echter wekt gij ergernis bij uwe omgeving.

„Voor mijn geluk is het mij noodzakelijk, te weten, dat u gelukkig is, maar niet daarvan getuige te zijn. Ik heb u steeds gezegd, dat het bijzonder moeilijk is, met u op goeden voet te verkeeren, en hoe zorgvuldiger ik u gadesla, des te meer schijnt deze moeilijkheid voor mij althans toe te nemen. Ik zal het u niet ontveinzen: zoolang u is, wat gij zijt, zal ik mij liever ieder offer getroosten, dan daartoe besluiten. Ik misken uwe goede eigenschappen niet, ook is datgene wat mij van u terughoudt, niet gelegen in uw gemoed, niet in uw hart, maar in uw uiterlijk gedrag, uwe opvattingen, uwe oordeelvellingen, uwe gewoonten, kortom, ik kan in niets, wat de buitenwereld betreft, met u overeenstemmen. Ook uwe zwaarmoedigheid is mij zeer onbehagelijk en bederft mijn opgeruimdheid, zonder dat het u iets helpt.

„Op mijn ontvangstdagen kunt u des avonds bij mij komen eten, indien u dan tenminste dat vervelende twisten, dat mij ook verdrietig stemt, en al dat jammeren over de domme wereld en de menschelijke ellende achterwege wilt laten; dit bezorgt mij namelijk steeds een slechten nacht en kwade droomen, en ik slaap gaarne goed."

De voornaamste inhoud zijner studiën aan het gymnasium te Weimar bepaalde zich tot die der oude talen. "Van Passow ontving hij privaatlessen in het grieksch en het latijn, terwijl de directeur van het gymnasium, Lenz, hem in het latijn-spreken onderrichtte. Hij legde zich er op toe met een ijver, die hem vaak halve nachten op zijn boeken deed doorbrengen, en onophoudelijk gevoed en aangevuurd werd door de herinnering aan de jaren, welke hij nutteloos op het kantoor te Hamburg doorgebracht had.

Na op deze wijze twee jaren de lessen aan het gymnasium van Weimar gevolgd te hebben, begon hij, met volkomen instemming zijner leermeesters, zijne studiën aan de Universiteit van Göttingen. Het was hetzelfde jaar 1809, waarin hij van zijn moeder zijn vaderlijk erfdeel ontving, een derde deel namelijk van het toen nog aanwezige vermogen, terwijl de moeder het overige voor haar zelve en voor Arthur's zuster Adèle, die toen den leeftijd van twaalf jaren bereikt had, behield.

Aanvankelijk legde hij zich, met zijn geliefkoosde taalstudie