is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weimar, 28 September 1811.

„Daar men eene gelegenheid, welke zich voordoet om een langdurig stilzwijgen te onderbreken, niet moet laten voorbijgaan, wil ik een jongen man, die zich naar Berlijn begeeft, een aanbevelend schrijven aan U, geëerde vriend, niet weigeren. Zijn naam is Schopenhauer, zijn moeder, mevrouw Hofraad Schopenhauer, die reeds verscheidene jaren in ons midden verblijft.

„Hij heeft geruimen tijd in Göttingen gestudeerd en voor zoover ik, meer door anderen dan door mijzelven, weet, heeft hij de zaak steeds ernstig opgenomen. In zijn studiën en bezigheden schijnt hij eenige malen afgewisseld te hebben. In welk vak en hoever hij het gebracht heeft, zult U zeer gemakkelijk kunnen oordeelen, wanneer U hem, uit vriendschap jegens mij, een oogenblikje Uw aandacht wilt schenken, en hem, volgens zijn verdiensten, wilt veroorloven, U weder op te zoeken "

In deze jaren welke hij te Berlijn doorbracht, beginnen wij voor het eerst, maar zeer duidelijk, die eigenaardige onafhankelijkheid van uitwendige invloeden, van humeur, van geluimdheid, welke ook Kant zoo sterk kenmerkte, bij Schopenhauer te ontdekken, en daarentegen een onwederstaanbaren drang om zijn geest gericht te houden op de hem zelf nog onverklaarbare werkingen in de diepste diepten van zijn verstand en zijn intellectueel bewustzijn. Het was, te midden van zijn overwegingen over de wijsgeerige grondstellingen van Fichte en Schleiermacher die hij daar hoorde, als het ware een allereerst ontwaken van een zelfstandig streven, om op eigen wieken door de philosophische wereldsferen te gaan drijven, en daar verre van alle gevoel, evenals de arend zich terugtrekkend op een der hoogste bergtoppen om er zijn jongen uit te broeden, zijn eigen ideeën te baren en ze met leven te bezielen.

Dit treedt helder aan het licht door allerlei randteekeningen en „nootjes" op zijn studieboeken en cahiers, waarin wij de sporen kunnen ontdekken van de ontwikkeling en de vlucht, welke zijn gedachten toen reeds begonnen te nemen. Ofschoon hij zich dit streven niet kon verklaren, was hij er zichzelf toch volkomen bewust van; het is alsof hij aan een onmetelijken en ver verwijderden horizon een beeld uit de nevelen ziet opdoemen, nog niet scherp omlijmd, nog niet herkenbaar door kleur, door gestalte, door gedaante, maar een beeld dat