Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In ieder geval meen ik in alle bescheidenheid toch dit verzoek hier nog bij te mogen voegen, mij met een paar korte woorden mede te deelen, of buiten u, wellicht iemand anders mijn geschrift gelezen, of er een copie van genomen heeft.

Zou u intusschen wenschen het nog langer onder uw berusting te houden, zult u wel de goedheid willen hebben, mij de redenen daarvan mede te deelen, en mij althans door eenig bericht hieromtrent gerust te stellen.

Ik hoop dat UEdelgeborene mij mijn handelwijze niet ten kwade zult duiden en nooit twijfelen aan de onveranderlijke en diepe hoogachting, waarmede ik geheel mijn leven verblijf

Uw toegenegen dienaar Arthur Schopenhauer, Dr.

Dresden, 3 Sept. 1815.

Goethe's antwoord was kort, zooals vele zijner brieven zich door kernachtigheid en gevatheid in korte bewoordingen onderscheiden :

Uwe vriendelijke zending, mijn waarde, heeft mij te goeder ure in Wiesbaden bereikt, zoodat ik kon lezen, overdenken, en mij in Uw arbeid verlustigen. Hadde ik een schrijvend wezen naast mij gehad, dan zou U veel van mij gehoord hebben. Nu zou ik echter, met onwillige hand, een geheele litanie van ongevallen, veranderingen van verblijf, leerrijke en vreugdevolle lotgevallen en ontspanningen moeten opsommen, wanneer ik mij over mijn stilzwijgen wilde excuseeren.

Op dit oogenblik zelfs weder met den voet in den stijgbeugel staande, verzoek ik U nog een klein weinigje geduld te hebben, en mij het werk te laten behouden totdat ik naar Weimar terugkeer. Dan zult U het ontvangen met aanteekeningen, zooals iedere dag ze aanbrengt en veroorlooft (neder te schrijven). Houd U intusschen verzekerd van mijn dank en mijn herinnering.

Goethe.

Bij Francfort a/M., 7 Sept. 1815.

Naast zijn „Kleurenleer" arbeidde Schopenhauer te Dresden ijverig aan zijn hoofdwerk „De wereld als wil en voorstelling." In 1818 werd het bij Brockhaus gedrukt. Bij deze gelegenheid

Sluiten