is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor hem kwam het er nu nog maar op aan, of, zooals Goethe geschreven had, „de heeren van het vak hem in hun rangen wilde opnemen." Hegel stond op het toppunt van zijn roem, en de Kantiaansche wijsbegeerte beheerschte nog nagenoeg het geheele gebied der philosophie: het was dus voor den betrekkelijk nog jeugdigen Schopenhauer, die op geen ernst en rijpheid van den ouderdom kon wijzen, een stout stuk, tegenover zulke machten een allereerst product van een slechts vierjarigen arbeid te plaatsen.

Boven alles hechtte hij gewicht aan het oordeel van Goethe ; daarom had hij hem het allereerst een exemplaar van zijn: „De wereld als Wil en Voorstelling" laten zenden.

Wij kunnen ons dus gemakkelijk de vreugde van den wijsgeer voorstellen, toen hij, te Napels vertoevende in de maand Maart 1819, een schrijven van zijn zuster Adèle ontving, waarin deze hem eenige bijzonderheden mededeelde omtrent de ontvangst welke zijn werk van de zijde van Goethe genoten had.

„Goethe, zoo schreef zij, ontving Uw boek met groote vreugde, sneed aanstonds geheel het dikke boek in twee deelen, en begon er onmiddellijk in te lezen. Na een uur zond hij mij inliggend lijstje en liet mij zeggen: Hij betuigt U er ten zeerste zijn dank over en gelooft dat het geheele boek goed is. Daar hij steeds het geluk heeft in boeken de belangrijkste plaatsen op te slaan, heeft hij de aangegeven passages gelezen, en daarin groot genot gevonden. Daarom zendt hij U de nummers (van de bladzijden) opdat U zou kunnen nazien wat hij bedoelt. Binnenkort denkt hij U zelf uitvoeriger zijn meening mede te deelen; voorloopig kan ik U dit reeds schrijven.

Weinige dagen daarna zeide Ottilia mij, dat haarvader over het boek gebogen zat en er met een ijver in las, zooals zij nooit van hem gezien had. Hij verklaarde haar, dat hij nu een bron van genot had voor een geheel jaar, want nu leest hij het van het begin tot het einde, en denkt wel, er zooveel tijd voor noodig te hebben.

Daarna onderhield hij zich met mij en deelde mij mede, dat het hem groote vreugde verschafte, dat U nog zoozeer aan hem gehecht zijt, terwijl U wederzijds in oneenigheid zijt geraakt omtrent de „kleurenleer" en zijn weg zich van den Uwe verwijderde.

In dit boek bevielen hem voornamelijk de duidelijkheid der uiteenzetting en de schrijftrant, ofschoon Uw taal van