is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sedert jaren geen briefwisseling meer onderhouden had, blijkt dat hij in die tijden weder hevig lijdende was aan wat wij zijn oude kwaal zouden kunnen noemen, n.1. zijn overdreven vreesachtigheid. Zij was dan ook inderdaad van grooten invloed op zijn gezondheidstoestand, stemde hem droevig, somber, bijna menschenschuw, en deed hem ten slotte in een zware ziekte vallen.

Of deze omstandigheden, gepaard aan de vrees voor een mogelijk noodlottig einde hem er toe bewogen heeft zich weder met zijn moeder te verzoenen, dit moeten wij hier onbeslist laten, maar zeker is het, dat hij de lang verbroken relatiën ook met haar weder aanknoopte. Gedurende deze ziekte te Frankfort schreef zij hem althans eenige brieven, waarin zij hem hartelijke deelneming toonde met den droevigen toestand waaronder hij gebukt ging.

„Uw ziekte, zoo schreef zij op 10 Maart 1832 — veroorzaakt mij veel bezorgdheid. Met den meesten aandrang bid ik U, u toch te ontzien. Waarin bestaat dan eigenlijk Uw kwaal? Grijze haren! een langen baard! Ik kan mij U zoo volstrekt niet voorstellen. Met de eersten zal het dan ook wel zoo erg niet gesteld zijn, en van den tweede kan men gemakkelijk verlost worden. Twee maanden lang zijn kamer niet verlaten, en met geen mensch omgang hebben, dat is niet goed, mijn zoon, en bedroeft mij! De mensch mag en moet zich niet op dergelijke wijze isoleeren; nooit kan hij dit doen, zonder daarbij aan geestelijke en lichamelijke krachten te verliezen."

Sedert den dood van haar echtgenoot zweefde haar zijn rampzalig uiteinde steeds met min of meer levendigheid voor den geest en deed haar bij de gedachte aan de toenemende zwaarmoedigheid van haar zoon Arthur, ook voor hem in dien zin het ergste vreezen.

Zonder gade, die hem als een trouwe levensgezellin het huiselijk leven veraangenaamde, en hem voor een uit zwaarmoedigheid plotseling opwellenden en heilloozen stap kon behoeden, en zonder kinderen, die hem aan het leven hechtten, vreesde zij voor haar zoon Arthur hetzelfde einde als dat, wat den vader getroffen had.

Arthur Schopenhauer scheen inderdaad niet in de wieg gelegd, om mede te werken aan het voortbestaan van het menschelijk geslacht.

Dat hij in het huwelijk niet ook een rein verheven geluk van twee geheel in elkander opgaande harten ontdekte, maar dit enkel beschouwde als een middel om de instandhouding