is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dus geen behoefte, ja gevoelt zich zelfs gehinderd door ander geluk; zoo treffen wij niet zelden bij waarlijk geniale mannen den eigenaardigen, maar hierdoor toch zeer verklaarbaren karaktertrek aan, dat zij geen of althans zeer weinig persoonlijke intieme vrienden bezitten, en wanneer zij inderdaad jegens iemand vrienschap kweeken, deze veel meer berust op geestverwantschap en gelijkheid van opvattingen en overtuigen, — en daarom veeleer hoogachting genoemd kan worden, — dan op eigenlijke genegenheid des harten; dat deze vriendschap veeleer haar zetel heeft in de rede dan in het gemoed, of, om met Schopenhauer te spreken, meer in het Intellect, dan in den wil.

In een dergelijke vriendschap, — welke Schopenhauer misschien in een huwelijk voor zijn echtgenoote over zou gehad hebben, — en die in werkelijkheid het best zou vergeleken kunnen worden met eene intellectueele hoogachting, of desnoods een platonische liefde, — zou geen vrouw, die in een wettige verbintenis met Schopenhauer ware huwelijksliefde beoogde, voldoening gevonden hebben. De onvermijdelijke gevolgen van een dergelijke verhouding zijn ons allen bekend; zij zouden zoowel Arthur's geest als het hart zijner gade gebroken hebben.

Maar bovendien, afgezien van de onverpoosde werkzaamheid zijns geestes, was ook Schopenhauers karakter weinig geschikt tot samenleving en maatschappelijken omgang, zelfs dan, wanneer de eerste hierop geen invloed uitgeoefend had. Overerving, opvoeding, gemis aan moederlijke teederheid, het reizen en zwerven zijner jongelingsjaren, zijn pathologische vreesachtigheid, dit alles speelde hierbij een uiterst gewichtige rol, zijn zwartgalligheid deed hem, wanneer zij, ook door de geringste aanleiding, overprikkeld werd, in heftigen toorn opstuiven; zijn angstvalligheid gevaren zien, waar zij niet bestonden, zijn pessimisme stortte hem wantrouwen in jegens alles en allen, zoodat geen vriendschap of liefde beveiligd zou geweest zijn tegen zijn achterdocht; en daar hij nooit den invloed van een moederhart ondervonden had, zou hij moeilijk op zijn kroost over hebben kunnen dragen, wat hij zelf nooit gevoeld had.

Dit bracht hem er ook toe, van het zwakke geslacht slechts de zwakheden gade te slaan, en hem het voor de vrouw weinig vleiende en aanmoedigende hoofdstuk zijner Parerga: „Over de vrouwen," neder te doen schrijven.

Zonder hier in het hedendaagsche debat te willen treden over het gelijke of ongelijke recht der vrouw, verdient zij evenwel, dat toch ook op haar goede hoedanigheden worde

4