is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewezen, vooral wanneer zij ter vergelijking naast den man wordt geplaatst. Want al zijn vele beweringen van Schopenhauer, betreffende de vrouw, zeer waar, dan wordt haar toepassing toch ook zeer dikwijls gewijzigd, wanneer wij haar onder een ander daglicht beschouwen.

Wanneer namelijk Schopenhauer met minachting zegt: „De hoogste waarde der vrouw laat zich kennen uit den prijs, dien haar bezit gekost heeft," wacht hij zich wel, met veel grooter minachting den man te overstelpen die niet zelden schroomt zich ten koste van onnoemelijke schatten het bezit eener nietswaardige vrouw te verzekeren.

In theorie, n.1. in het genoemde hoofdstuk over de vrouwen, trekt hij dan ook, geheel in overeenstemming met hetgeen wij hierboven in een mogelijke huwelijksverbintenis van Schopenhauer beweerden te zullen ontmoeten, te velde tegen het te kleine intellect der vrouw, en haar te grooten wil. Vooral op dit terrein, waar zoo weinig met de scherpe punten van een passer af te meten is, zouden wij sommige uitersten en scheeve voorstellingen, waartoe Schopenhauer zich door zijn persoonlijke opvattingen heeft laten verleiden, gaarne vermeden zien. Weliswaar kunnen bijzondere toestanden, zooals de vergoding der vrouw aan het begin der vorige eeuw, invloed uitgeoefend hebben op het oordeel van den wijsgeer, en hem hebben doen spreken volgens uiterst fijne en bijna onmerkbaar genuanceerde omstandigheden, die nu, na de langdurige tijdruimte van bijna een eeuw, aan onze aandacht ontsnappen, maar niemand zal in twijfel trekken, dat sommige algemeene karaktertrekken, welke Schopenhauer in de vrouw aangevallen heeft, boven alle wisselvalligheden der tijden, en alle omwentelingen in maatschappelijke verhoudingen verre verheven zijn, en door deze niet aangetast worden.

In aansluiting hiermede, kunnen wij niet instemmen met Möbius (Ueber Schopenhauer) wanneer hij beweert, dat Arthur geen vrouwenhater was, wel echter met hetgeen hij als zijn gevoelen te kennen geeft omtrent de misanthropie van Schopenhauer, en wat wij, om de belangrijkheid dezer passage, hier in zijn geheel laten volgen:

„Dat Schopenhauer een menschenhater en menschenschuw genoemd wordt — heeft meer schijn van waarheid, omdat Schopenhauer gedurende een geruim tijdsverloop zijns levens de menschen op velerlei manieren beschimpt heeft, intusschen moet men hier niet alles woordelijk opnemen. Zijn opvliegend en heftig karakter eenerzijds en zijn onbevooroordeelde scherp-