Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het jaar 1835 — zullen wij ons beperken, hier in het kort Schopenhauer in zijn voornaamste handelingen te volgen, welke zich voor het meerendeel bepalen tot het opstellen en het herzien van zijn werken en het zoeken naar uitgevers er voor — terwijl wij hierbij in hoofdzaak de biografische gegevens zullen volgen van Ed. Grisebach, in zijn uitgave van „A. Schopenhauer's sammtliche Werke.' Bd. VI.

In het jaar 1838 kwam Schopenhauer het bericht van de Drontheimer prijsvraag over de Vrijheid van den Wil, en die van de Deensche Academie „Over den Grondslag der Moraal" ter oore. Hij stelde het eerst het manuscript voor de Noorweegsche Societeit op, zond het in, en begon toen zijn handschrift over het laatstgenoemde onderwerp, wat hij in den loop van het volgende jaar naar Kopenhagen zond.

In Februari werd hem medegedeeld dat z\jn prijsschrift „Over de Vrijheid van den Wil" bekroond was geworden. Het was het eerste openlijk erkende succes van een zijner werken en moest hem ongetwijfeld met nieuwe hoop vervullen. Maar de beslissing van de Deensche Academie, die zijn manuscript „Over den grondslag der Moraal" verwierp, kwam in Januari 1840 deze schoone verwachtingen als een koud bad afkoelen.

Schopenhauer gaf beide verhandelingen in het licht in ditzelfde jaar, als „De beide grondproblemen der Ethica."

Bij deze gelegenheid kon hij niet van zich verkrijgen, het oordeel van de Deensche Academie, waardoor hij zich diep gekwetst gevoelde, stilzwijgend voorbij te gaan. Zooals de Duitsche „philosophasters", zoo moesten, in de voorrede, welke hij aan dit boek schreef, ook de Deensche heeren al de bitterheid van zijn losbarstingen gevoelen.

Alsof er langs alle rangen der officieele ambtsphilosophie een geheim verbond gesloten was, werd ook dit werk weder met een bewonderenswaardige eenparigheid en troostelooze hardnekkigheid doodgezwegen. Schopenhauer zelfs schijnt aan een dergelijk verbond geloofd te hebben, het was hem als een vampir, die hem aan het hart knaagde, als een „cauchemar" die hem overal vervolgde.

Te midden van dezen verlammenden en doodenden toestand moeten wij des te meer de volharding en de standvastigheid van Schopenhauer bewonderen, waarmede hij zijn eenmaal aangevangen arbeid tot aan het einde trachtte te voltooien, en dit vooral, nu wij hem langzamerhand in jaren zien toenemen, en een leeftijd bereiken waarop men niet gewoon is, zich aan bedriegelijke inbeeldingen te vergasten, waarop de ernst en de

Sluiten