Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de maatschappelijke verhoudingen en toestanden een grooten ommekeer in dezen staat van zaken veroorzaakt hebben, behoeft hier niet nader uiteengezet te worden.

De meer algemeene en dieper doorgedrongen ontwikkeling van alle rangen en klassen der maatschapij, de overal heerschende zucht naar lectuur en mededeeling van gedachte, en de practische deelneming van de massa van het volk aan het openbare leven, eischen ongetwijfeld een onverpoosde productie van uitgaven van allerlei aard.

Het is aan niemand onbekend, dat terwijl een halve eeuw geleden een boer die kon lezen en schrijven, een „rara avis" was, deze zich tegenwoordig, na volbrachten arbeid niet ter ruste begeeft, alvorens „zijn" courant gelezen te hebben, om in de eerstvolgende vergadering van de dorpspartij, waartoe hij behoort, over de houding van dezen of genen staatsman het woord te kunnen voeren; ja dat hij er ook niet van afschrikt, nu en dan in een „Ingezonden stuk" zijn meening te uiten over de meest verscheidene onderwerpen.

Het leesgrage publiek had echter ten tijde van Schopenhauer nog niet zulke vorderingen gemaakt. Vooral bij de werken van dezen wijsgeer die op zoo eenparige en krachtige wijze doodgezwegen werden, in plaats van dat er door de wijsgeerige wereld de aandacht op gevestigd werd, behoeft het dan ook geen verwondering te baren, dat toen Schopenhauer in Augustus van het jaar 1846 bij Brockhaus inlichtingen inwon omtrent het welslagen zijner onderneming, deze hem kort-en-bondig verklaarde:

„Wat uw navraag omtrent het debiet van uw werk betreft, kan ik u tot mijn leedwezen slechts mededeelen, dat ik er slechte zaken mede gemaakt heb; nadere bijzonderheden dienaangaande zult u mij wel willen besparen."

Dit was dus de vrucht van zooveel jaren ingespannen geestesarbeid ! Zelfs een tamelijk gunstige bespreking van Fortlage mocht niet baten om den grooten stoot te geven, waardoor Schopenhauer het intellectueel terrein zou kunnen beheerschen of tijdelijk veroveren. Hij was „afgemaakt" en scheen dat voor altijd te moeten blijven.

Het spreekwoord, dat „iedere waarheid niet gezegd wil worden," is reeds oud ter wereld. Door dit theoretisch te ontkennen en practisch te negeeren heeft Schopenhauer zich de bliksems van de Duitsche philosophen-wereld op den hals gehaald, welke zich wreekte door hem stilzwijgend voorbij te gaan. Tegenover zijn bespraaktheid en verpletterenden woordenvloed, waarmede

Sluiten