Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en niet altijd in den „doofpot" zou blijven kwijnen, zoo groot, dat wij meenen te mogen besluiten, dat het voor Schopenhauer wenschelijker geweest zou zijn, wegens het nuttelooze van zijn scherpe houding, zijn verbittering in zijn hart te begraven in plaats van haar op alle vier hoeken van de wereldmarkt der philosophie uit te schreeuwen en haar naar alle winden uit te strooien. Is dit van toepassing, wanneer het minder aangename waarheden geldt, hetzelfde moet ook gezegd worden van waarheden die een zeker zelfbehagen en zelfverheffing in zich sluiten.

Door zich te vergelijken met den luchtschipper die hoog boven alle aardsche sferen zweeft, ploft hij door denzelfden stormwind, die hem op de vleugelen van het genie naar omhoog drijft, de arme katheder-philosophen in de mistige en nevelachtige moeraslanden der bezoldigde beroeps-philosophie, waar zij als de ons bekende tweeslachtige dieren rondploeteren en door hun gekwaak de een den ander trachten te overstemmen. Maar ook luchtschippers kunnen wel eens tuimelen, en zijn tot dusverre althans reeds zeer dikwijls getuimeld, hierin gelijkende op Icarus, die in zijn overmoed te dicht de zon naderend, zijn vleugelen van was zag smelten on in de diepte, waaruit hij zich ten onrechte verheven had, nederstortte.

Intusschen toont deze omstandigheid in het leven van Schopennauer en zijn houding in deze onaangename miskenning, hoezeer de theoretische wijsgeer vaak verschilt van den practischen wijsgeer.

Weinig talrijk zijn inderdaad die philosophen, welke den geheelen omvang van hun theoretische philosophie zelf in alle punten in practijk brachten.

Van Diogenes lezen wij dat hij den eenvoud, de nederigheid, de onderdanigheid aanprees en er de beoefening van trachtte te verspreiden; maar Alexander zeide van hem, dat „de hoogmoed door de gaten van zijn versleten plunje gluurde." En Seneca, schetterend over het verheven karakter van hem die volgens de Stoïcijnsche leerstellingen de aardsche goederen wist te verachten en zich voor genot en rampen even onverschillig te betoonen, bezat een onmetelijk kapitaal van zooveel en zooveel millioenen sestercen en leidde een uiterst weelderig en genotvol leven, te midden van hetgeen Rome, toenmaals de weelderigste stad der aarde, hem bieden kon.

Ook Schopenhauer heeft zich in dit opzicht bezondigd. Zijn theoretisch pessimisme was niet in staat om practisch een volbloed stoïcijn van hem te maken. In zijn hoofdstuk over

Sluiten