is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de nietigheid en het lijden van het raenschelijk bestaan, zegt hij namelijk het volgende:

„Van dit standpunt uitgaande, gelooft iedereen rechtmatige aanspraken te kunnen doen gelden op geluk en genot; vallen dezen hem, zooals het veelal geschiedt, niet ten deel, dan stelt hij zich in den waan, dat hem onrecht aangedaan wordt, ja zelfs, dat hij het doel van zijn bestaan mist; — terwijl het toch veel juister is, arbeid, ontberingen, ellende en lijden, gekroond door den dood, als het eigenlijke doel onzes levens

te beschouwen omdat dezen het zijn, die tot den afstand

van den wil tot het leven voeren."

Met allen eerbied voor de wijsgeerige beschouwingen van den Dantziger philosoof vragen wij ons af, langs welken weg deze uitspraken in overeenstemming gebracht kunnen worden met den gemoedstoestand, welke doorstraalt in de zooeven aangehaalde voorrede. Dat Schopenhauer het doodgezwegen worden van den arbeid zijns levens als een bitter lijden, als een smart van de ergste soort beschouwde en inderdaad gevoelde, bewijst zijn zwaarmoedigheid, hierdoor veroorzaakt, die hem, zooals wij hierboven zagen, zelfs een ernstige ziekte op den hals haalde.

Beschouwde hij inderdaad het lijden en de ontberingen dezer wereld als het eigenlijke doel des levens, dan zouden wij op de allereerste plaats van hem hebben mogen verwachten, dat hij dit doel in de volle vreugde zijns harten en met volmaakte instemming omhelsde.

In tegenstelling hiermede zien wij echter dat Schopenhauer niet al de kracht die in hem is, en die zich te kennen geeft door het uitstorten van zijn venijn over allen en alles, wat in de wijsgeerige wereld op een katheder zetelt, naar de, volgens niet zoo pessimistische opvattingen zeer gerechtvaardigde, zelfvoldoening haakt, zijn wereldbeschouwing en philosophisch stelsel erkend en gehuldigd te zien, en door het tegenwoordige geslacht van zijn tijdgenooten met dezelfde waardeering vereerd te worden, als die, welke hij met het volste vertrouwen verwacht van de toekomende geslachten.

In dezen zin, ofschoon op een ander punt, namelijk in zijn consequentie ten opzichte van de armoede en de liefde voor ontberingen, welke Diogenes predikte, overtrof de Grieksche wijsgeer den Duitsche verre: want hij leefde in een ton! zegt ons de geschiedenis.

Hierdoor willen wij, als onvoorwaardelijk bewijs van de echtheid van Schopenhauer's philosophie, van hem niet eischen,