Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil leeren kennen, moet men zich bekend maken met de Duitsche litteratuur." In kalmere en meer bezadigde bewoordingen zegt deze eenparigheid van gevoelen tusschen Goethe en Schopenhauer meer dan voldoende om dezen laatste te ontslaan van alle „Donnerwetter's" tegen de Staats-Universiteiten in Duitschland.

Toch moet het als een eigenaardige speling van het toeval beschouwd worden, dat Schopenhauer juist in dien kring van litteratoren zijn eerste en vurigste aanhangers vond. De litteraire waarde van Schopenhauer's geschriften kan hierbij ongetwijfeld een groote rol gespeeld hebben. Degene die hem aan de wereld moest voorstellen en naar al zijn vermogen ijverde om hem door haar te doen aannemen, was de reeds genoemde Dr. Julius Frauenstadt, zonder wiens bemoeingen Schopenhauer wellicht nooit aan de vergetelheid zou ontrukt geworden zijn. Hij wijdde hem zijn geschrift: „Over de ware verhouding van de rede tot de openbaring," en in hetzelfde jaar volgde Dorguth hem, door een geschrift in het licht te geven : „De Wereld als Eenheid", waarin het wijsgeerige stelsel van Schopenhauer in den vorm van een leerdicht uiteengezet is. Anderen drukten hun voetstappen, zooals de advocaat Becker en de jurist Doss en schonken aan zijn leerstellingen de waardeering, welke den wijsgeer zoo lang en zoo hardnekkig geweigerd was geworden door de professoren.

Frauenstadt scheen zelfs met een waren en onvermoeiden ijver bezield om den wijsgeer, die den avond zijns levens reeds zag naderen, „op het paard" te tillen; in een schrijven aan hem, waarin Schopenhauer zijn dank betuigt, noemt hij hem zelfs den: „apostolus activus, militans, strenuus et acerrimus, den ijverigen, onvermoeiden en werkzamen apostel, die altijd op de bres is." Dit wil niet zeggen, dat plotseling zijn weg gebaand, en voortaan zijn pad alleen met rozen bezaaid was.

In het jaar 1849 ontving hij onverwachts het bericht dat zijn zuster, Adèle, te Bonn overleden was. Terwijl de dood, wanneer men er zelf niet ver meer van verwijderd is, tot .pp een zekeren graad zijn verschrikkingen verliest — misschien omdat wij gedurende een lang voortgerekt leven aan deze gedachte meer gewoon en met haar meer vertrouwelijk worden, dan wanneer hij zijn slachtoffer in de vroege jaren zijner jeugd wegrukt — laat hij toch niet na ons diep en gevoelig te treffen, wanneer wij hem zijn onverbiddelijke heerschappij jegens anderen, voornamelijk bloedverwanten, zien uitoefenen.

Schopenhauer gevoelde dit des te inniger, naarmate hij de

Sluiten