is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brieven; de vertrouwelijkheid en het gezonde „laisser aller" lieten haar daarin geen plaats voor de voornaam-doenerij, die de meeste harer geschriften welke voor het publiek bestemd waren, kenmerkte. De dag waarop Adèle ten grave daalde, was de 25e Augustus van het jaar 1849, de honderdste geboortedag van Goethe.

Deze droevige mare van den dood zijner zuster ging voor Arthur Schopenhauer gepaard met het geringe succes van de uitgave zijner „Parerga und Paralipomena". Vruchteloos poogde hij voor zijn werk een uitgever te vinden. Ofschoon van alle honorarium afziende, weigerde zoowel de boekhandelaarsfirma van Hermann te Frankfurt a/M., als Brockhaus en de uitgevers Dieterich in Göttingen, zijn pennevruchten in het licht te geven.

Ten einde raad, riep Schopenhauer de bemiddeling in van Julius Frauenstadt, die er in slaagde hem een contract dienaangaande te doen afsluiten met de Hayn'schen Boekhandel te Berlijn, aan wien hij den 22en October zijn handschrift opzond.

Plotseling scheen het rad der fortuin gekeerd; kort nadat zijn werk in November verschenen was, werd er op de banken der denkende wereld een en ander gefluisterd over den grijzen pessimist, den „ouden Heer" die te Frankfort zuchtte over de verlatenheid waarin zijn wijsgeerige collega's hem lieten verkwijnen; zijn kernachtige beschouwingen over de vrouwen, een onderwerp dat gewoonlijk nog al aanlokt, maakten „opgang" ; zij begonnen zelfs aangehaald te worden in dagbladen en tijdschriften, en voortaan wist men, dat er te Frankfort nog een wijsgeer woonde.

De philosophie-professoren sloegen met verbijstering dit verhangen van de bordjes gade, maar bezaten althans wijsheid genoeg, om ook nu, evenals vroeger een diep stilzwijgen te bewaren. Het duidelijkste bewijs voor Schopenhauer, dat zijn ideeën en opvattingen wortel begonnen te schieten was dat de uitgevers zich nu bij hem aanmelden en hem honoraria aanboden.

In het jaar 1852 zond de Redactie van de Hamburger „Jahreszeiten" aan Schopenhauer het nummer van 17 December 1851, dat de eerste ernstige bespreking bevatte van zijn werk : „Parerga und Paralipomena", een „bijna enthousiastische kritiek", zooals Schopenhauer aan Frauenstadt getuigde, en die bij hem alle hoop deed herleven en aan zijn sedert zoovele jaren verbitterd gemoed verlichting schonk.

Hetzelfde jaar deelde hij zijn vriend het plan mede, een