is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl hij vervaarlijk met de armen in de lucht sloeg. „Ontzettend ! Ontzettend!" riep hij daarbij uit, „wat is mij, ouden man, toch overkomen! — op dit oogenblik verwachtte ik den brievenbode! — ontzettend, zoo maar aan te kloppen, zonder zich vooraf aan te laten melden!"

In het jaar 1859 begon hij, op aansporing van den uitgever Brockhaus, te arbeiden aan den derden druk van zijn hoofdwerk. Zijn „Senilia" hebben ons eenige passages bewaard uit zijn allereerste plan voor de voorrede aan deze derde uitgave, die er echter later uitgelaten zijn:

„Si quis toto die currens pervenit ad vesperam, satis est!" Welnu, nu is het voorbij, het avondrood mijns levens wordt het morgenrood van mijn roem, en zeg ik met Shakespeare:

„Good-morrow, masters, put your torches out:

The wolves have prey'd; and look, the gentle day,

Before the wheels of Phoebus, round about Dapples the drowsy east with spots of grey! ')

In de maand November van hetzelfde jaar verscheen de derde druk van „De wereld als wil en voorstelling", waarmede Ottilia, Goethe's dochter, hem op geheel bijzondere wijze geluk wenschte. Het laatste jaar zijns levens werd grootendeels besteed aan de bearbeiding van een nieuwen druk zijner Ethica, die in de maand Augustus 1860 voltooid werd.

Ofschoon Schopenhauer dikwijls zijn vreugde te kennen gaf over den ongestoorden welstand en het behoud van zijn lichaamskrachten, tot in een ouderdom, waarin velen, na zulk een arbeidzaam leven den last der jaren beginnen te gevoelen, was zijn gezondheid gedurende de twee a drie jaren, die zijn dood voorafgingen, toch niet zoo krachtig dat niet nu en dan korte ongesteldheden, maar van ernstigen aard, hem er aan kwamen herinneren, dat het einde van zijn loopbaan misschien niet meer zoo ver verwijderd was. Wel werd hij niet door een langzaam voortwoekerende ziekte aan een langdurig ziekbed gekluisterd, maar hartkloppingen, benauwdheden die zich bij tusschenpoozen herhaalden, ja zelfs een plotselinge bezwijming, brachten hem in 1857 reeds de gedachte aan het eindlot dat aiien stervelingen gemeen is helder voor den geest.

*) ,Goede morgen, heeren! dooft nu de fakkels uit! De wolven hebben hun rooftocht gestaakt; aanschouwt den liefelyken dag, vóór Phoebus' wagen uitgaande, en het nog slaapdronken Oosten met purperen druppelen besprenkelend 1"