is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den loop van het jaar namen deze ziekteverschijnselen die aan een hartkwaal of een longaandoening deden denken, een karakter van grooter intensiteit aan. De hartkloppingen gingen vaak vergezeld van een ernstige bemoeilijking in de ademhaling, ten gevolge waarvan het loopen hem bezwaarlijk viel en hij niet meer het genot van zijn gewone wandelingen kon smaken. Toch verzette de levensenergie van den grijsaard zich met ijzeren wilskracht tegen de ondermijnende kwaal, die hem binnen eenige maanden sloopte. Ofschoon hij namelijk in Augustus van het jaar 1860 een zeer heftigen aanval van benauwdheden niet dan met moeite en aanmerkelijke vermindering van krachten had doorstaan, bleef hij toch aan zijn oude gewoonte om in de Main te gaan baden, getrouw.

Kort na dit tijdstip, in de maand September werd hij echter aangetast door een longontsteking, die zich openbaarde na een nieuwen aanval van benauwdheden.

Den 18en September klaagde hij aan Dr. Gwinner over hevige hartkloppingen; hij was echter niet bedlegerig, sprak met zijn geneesheer op opgewekten toon over de mogelijkheid van een naderend einde, maar uit niets bleek, dat hij door vrees voor den dood bevangen was.

Den 2len September greep hem, nadat hij ontwaakt was en het bed verlaten had, een hevige borstkramp aan, waardoor hij op den grond viel en aan het voorhoofd gewond werd. Overigens gevoelde hij zich dien dag en den daaropvolgenden nacht, de omstandigheden daarbij in het oog gehouden, tamelijk wel.

Den volgenden morgen was hij als naar gewoonte opgestaan, had zich met koud water gewasschen en maakte zich gereed om zijn ontbijt te gaan gebruiken. Plotseling overviel hem een longberoerte, die gepaard aan een hartverlamming een einde aan zijn leven maakte. Zijn huishoudster was in allerijl weggesneld om een geneesheer te ontbieden. Zij leidde Dr. Clemens uit Frankfort naar den grijsaard, die reeds overleden was, alvorens de geneesheer aan zijn huis was aangekomen. Hij vond hem dood, in den hoek van zijn sofa zittend, terwijl op zijn gelaat geen sporen van doodsstrijd te bespeuren waren.

Ofschoon Schopenhauer weleer zelf, bij zijn strijd tegen de door de van Staatswege aangestelde philosophie-professoren, eens verklaard had dat „Duitschland in hem geen goeden patriot gekweekt had':, getuigt zijn testament toch van oprechte vaderlandsliefde. Immers bij het openen hiervan bleek, dat hij als universeele erfgenaam aangesteld had, het fonds dat te Berlijn