is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Want wanneer hij in de Voorrede van de eerste uitgave van zijn Hoofdwerk verklaart, dat er in het Eerste Boek een leemte ontstaan is, doordat alles weggelaten is, wat er in het eerste hoofdstuk „Over het Gezicht en de kleuren" staat, en dus de bekendheid met dit vroegere kleine geschrift verondersteld wordt, verklaart hij toch later, aan het einde der Inleiding tot de kleurenleer, uitdrukkelijk: „Wat ik hier, slechts voor zoover ons doel zulks eischt, dus aphoristisch en in korte omlijningen, uiteenzet, namelijk de Theorie der uitwendige, empirische beschouwing der voorwerpen in de ruimte, zooals zij, door opwekking der gewaarwording in de zintuigen, door het verstand en de aan hetzelve gepaard gaande overige vormen van het intellect tot stand komt, heb ik in latere jaren voltooid en op de bevattelijkste wijze, uitvoerig en volledig uiteengezet in de tweede uitgave van mijn verhandeling: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom Grunde. § 21." Daarnaar verwijs ik dus, ten opzichte van dit belangrijk onderwerp, mijn lezer, die het hier gegevene slechts als een vroeger prodromus te beschouwen heeft."

Daarom haalt hij het geschrift over het Zien en de Kleuren, in de reeds meer vermelde lees-orde van 1859, niet in die reeks aan; deze lees-orde heeft slechts betrekking op de vijf onder cijfers gerangschikte geschriften, terwijl, nadat „Parerga und Paralipomena" voor het vijfde deel bestemd zijn, van de Kleurenleer slechts bij wijze van Aanhangsel gezegd wordt: De Kleurenleer staat op zichzelf.

Door deze voorgaande beschouwingen wordt bewezen, dat een innerlijke zakelijke reden, om de Kleurenleer met de overige kleinere geschriften aan „Parerga und Paralipomena" vooraf te laten gaan, niet bestaat, maar deze, als een niet integreerend gedeelte van Schopenhauer's Philosophie, zeer goed gescheiden kan worden van die drie kleinere geschriften.

Tot deze scheiding spoort bovendien ook de overweging aan, dat aan de volledige uitgave ook de latijnsche bewerking der Kleurenleer niet ontbreken mag, daar Schopenhauer van deze zijn: „Theoria Colorum" in de voorrede aan de tweede uitgave van de Kleurenleer uitdrukkelijk verklaart, dat, ofschoon hij haar bij de tweede Duitsche uitgave „benuttigd" heeft, zij toch altijd haar waarde behoudt, vooral voor het buitenland. Bovendien citeert hij de „Theoria Colorum", naast zijn geschrift „over het Zien en de Kleuren" tweemaal in „Parerga". Zou men echter de beide bewerkingen der Kleurenleer in willen lasschen in het derde deel, dan zou dit veel te omvangrijk worden.

6