is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zooals nu hetzelfde, in de drie voorafgaande boeken, volgens de aan de philosophie eigenaardige algemeenheid, van uit een ander oogpunt gezocht werd tot stand te brengen, zoo zal in dit boek het handelen van den mensch op dezelfde wijze beschouwd worden; deze zijde der wereld zal dan wel niet alleen, zooals ik vroeger reeds aanstipte, volgens een subjectief, maar ook volgens een objectief oordeel, als de gewichtigste van allen erkend moeten worden.

Hierbij zal ik de wijze van beschouwing, welke wij tot nu toe gevolgd hebben, volkomen getrouw blijven, mij steunen, op hetgeen tot hiertoe werd vastgesteld, ja eigenlijk slechts de eenige gedachte, die den inhoud van dit geheele geschrift vormt, zooals aan alle andere onderwerpen, nu ook evenzoo aan het handelen van den mensch toetsen en daarmede het laatste doen, wat in mijn vermogen is om het zoo volledig mogelijk mede te deelen.

Volgens den geheel en samenhang onzer opvattingen is

de wil niet alleen vrij, maar zelfs almachtig; uit hem is niet alleen zijn handelen, maar ook zijn wereld, en zooals hij zelf is, zoo uiten zich ook zijn daden, zoo uit zich zijn wereld ; zijn zelfkennis zijn beide en anders niet; hij bepaalt zichzelf, en juist daardoor beiden; want buiten hem is er niets, en zij zijn hemzelf; alleen op deze wijze is hij waarlijk autonomisch, volgens iedere andere opvatting echter heteronomisch.

Wij kunnen er in onze philosophie slechts naar streven, het handelen van den mensch, de zoo verschillende, ja tegengestelde maximen, wier levendige uitdrukking het is, te verduidelijken en te verklaren, volgens zijn innerlijk wezen en gehalte, in samenhang met onze tot nu toe gedane beschouwingen en juist zooals wij tot dusverre getracht hebben de overige verschijnselen der wereld uit te leggen, hun innerlijk wezen te verklaren en er ons een abstracte kennis van te vormen.

Onze philosophie zal daarbij dezelfde immanentie voorstaan, als in onze geheele verhandeling; zij zal niet, in strijd met Kant's groote leer, de vormen der verschijnselen, wier algemeene uitdrukking het beginsel der voldoende reden is, als een polsstok willen gebruiken, om met behulp daarvan over het verschijnsel zelf, dat hun alleen hun beteekenis geeft, heen te vliegen, en in het onbegrensde gebied der holle ficties aan te landen.

Maar deze werkelijke wereld van het gekend kunnen worden, waarin wij zijn, en die in ons is, blijft zoowel de stof als de grens van onze beschouwing, zij die zoo overvloedig