is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tlato het wordende nooit zijnde, in tegenstelling met het zijnde nooit wordende noemt, of eindelijk, wat bij de Indiërs het weefsel van Maja heet; het is juist de aan het Beginsel van de voldoende reden toegekende kennis, waarmede men nooit tot het innerlijk wezen der dingen doordringt, maar slechts verschijnselen in het oneindige gadeslaat, zich zonder einde en doel beweegt, hierin te vergelijken met het eekhorentje, totdat men eindelijk uitgeput, boven of beneden, bij een of ander willekeurig punt stil blijft staan, en daarvoor nu ook van anderen eerbied wil afdwingen.

De echte wijze van philosophische beschouwing der wereld d. w. z. die welke ons haar innerlijk wezen leert kennen, en aldus boven de verschijnselen uit voert, is juist die, welke niet naar het „vanwaar", het „waarheen" en het „waarom" vraagt, maar steeds en overal alleen naar het „wat* van de wereld, d. w. z. die, welke de dingen niet volgens een of andere relatie, niet als wordend en weder vergaand, kortom niet volgens een der vormen van het beginsel van de voldoende reden beschouwt; maar omgekeerd juist datgene tot onderwerp heeft, wat na uitzondering van deze wijze van beschouwing welke het beginsel van de voldoende reden volgt, nog overblijft, datgene wat zich in alle relatiën voordoet maar aan haar niet onderworpen is, het steeds aan zichzelf gelijke wezen der wereld, haar ideeën.

Van een dergelijke kennis gaat evenals de kunst, ook de wijsbegeerte uit, ja, zooals wij in dit boek zullen zien, ook die stemming van het gemoed, welke alleen tot ware heiligheid en tot losmaking van de wereld voert.

De wil welke zuiver in zichzelf beschouwd, zonder kennis en slechts een blinde, onweerstaanbare drang is, zooals wij hem nog in de inorganische en negatieve natuur en haar wetten, alsook in het negatieve gedeelte van ons eigen leven zien "verschijnen, verkrijgt door de hem toegetredene en tot zijnen dienst ontwikkelde wereld der voorstelling, de kennis van zijn willen, en van datgene wat het is dat hij wil, dat het namelijk niets anders is, dan deze wereld, het leven juist zooals het daar ligt.

Wij noemden daarom de verschijnende wereld zijn spiegel, zijn objectiteit, en daar datgene wat de wil wil, het leven is, — omdat dit verder niets anders dan de vorming van zijn wil voor de voorstelling is — is het hetzelfde en slechts een