is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pleonasme, wanneer wij, in plaats van eenvoudig „de wil" te zeggen, „de wil tot het leven" zeggen.

Daar de wil, het ding aan zich, het innerlijk gehalte, het wezenlijke der wereld is, het leven, de zichtbare wereld, het verschijnsel daarentegen slechts de spiegel van den wil is, zal dit den wil even onafscheidelijk vergezellen als het lichaam zijn schaduw, en wanneer de wil er is, zal ook het leven, de wereld er zijn.

De wil tot het leven is dus van het leven zeker, en zoolang wij van levenswil vervuld zijn, behoeven wij voor ons bestaan niet bezorgd te zijn, zelfs niet bij den aanblik van den dood.

Wel zien wij den individu ontstaan en vergaan, maar de individu is slechts een verschijnsel, is slechts daar voor de kennis, die in het beginsel van de voldoende reden, het principio individuationis vervat is; hiervoor ontvangt hij zijn leven als een geschenk, ontstaat uit het niet, lijdt dan door den dood het verlies van dit geschenk en keert tot het niet terug.

Wij willen het leven echter philosophisch, d. w. z. volgens zijn ideen beschouwen, en dan zullen wij bevinden dat noch de wil, het ding aan zich in alle verschijnselen, noch het subject van het kennen, de beschouwer van alle verschijnselen, onderhevig zijn aan geboorte of dood.

Geboorte en dood behooren juist tot de verschijnselen van den wil, dus tot het leven, en het behoort tot zijn wezen, zich te verwezenlijken in individuen, die ontstaan en vergaan, als vluchtige in den vorm van den tijd optredende verschijnselen, van datgene, wat op zichzelf geen tijd kent, maar zich juist op de zooeven gezegde wijze moet verwezenlijken, om zijn eigenlijk wezen te objectiveeren.

Geboorte en dood behooren op gelijke wijze tot het leven, en houden elkander in evenwicht als wederzijdsche voorwaarden voor elkander, of wanneer men aan deze uitdrukking de voorkeur geeft, als polen van het geheele levensverschijnsel.

De wijste van alle mythologiën, de Indische, drukt dit hierdoor uit, dat. zij den god, die de vernietiging, den dood, symboliseert, (zooals Brahma, de zondigste en laagste god van de trimurti, de verwekking, het ontstaan, en Yischnou, de instandhouding) dat zij, zeg ik, Schiva tegelijk met den halsketen van doodshoofden ook den lingam tot attribuut geeft, dit zinnebeeld der verwekking, dat hier dus als tegenpool van den dood optreedt;' waardoor aangeduid wordt, dat ver-