is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of met andere woorden, zijn karakter, is rechtstreeks een verschijnsel van den wil.

In overeenstemming met de vrijheid van dezen wil zou het dus in het geheel niet kunnen bestaan, of ook oorspronkelijk en wezenlijk een geheel ander kunnen zijn, waarbij dan ook de geheele keten, waarvan het een schakel is, en die zelf een verschijnsel van denzelfden wil is, een geheel andere zou zijn; maar, eenmaal bestaande, is het in de reeks van oorzaken en' gevolgen ingeschakeld, in haar noodzakelijk bepaald, en kan dan, noch een ander worden, d. w. z. veranderen, noch uit deze reeks uittreden, d. w. z. verdwijnen.

De mensch is, evenals ieder ander deel der natuur, objectiteit van den wil, daarom geldt al het gezegde ook van hem, zooals ieder ding in de natuur zijn vermogens en eigenschappen bezit, die op een bepaalde inwerking op bepaalde wijze reageeren en zijn karakter uitmaken, zoo heeft ook hij zijn karakter, waaruit de motieven zijn handelingen doen ontstaan, met noodzakelijkheid.

In deze wijze van handelen zelf openbaart zich zijn empirisch (waarnemend) karakter, en in dit weder zijn intelligibel karakter, de wil aan zich, waarvan het het gedetermineerde verschijnsel is. Maar de mensch is de volmaaktste uiting van den wil, welke, om te bestaan, door zulk een hoogen graad van kennis verlicht moet worden, dat in hem een volledig adaequate afbeelding van het wezen der wereld onder den vorm der voorstelling, welke de opneming der ideeën, de zuivere spiegel der wereld is, mogelijk wordt.

In den mensch kan dus de wil tot het volledige bewustzijn, tot een duidelijke en volmaakte kennis van zijn eigen wezen, zooals dit zich in de geheele wereld afspiegelt, geraken.

Uit het werkelijk aanwezig zijn van dezen graad van kennis, spruit de kunst voort. Aan het einde van onze geheele beschouwing zal ook blijken, dat door die kennis zelf, doordat de wil haar tot zichzelf terugvoert, een opheffing en een zelfontkenning er van, in zijn volmaaktste verschijning mogelijk is; zoodat de wil, die anders, als slechts aan het ding aan zich' toekomend, zich nooit in het verschijnsel openbaren kan, in zulke gevallen toch ook in het verschijnsel te voorschijn treedt, doordat zij het wezen, dat er aan ten gronde ligt, opheft, terwijl dit zelf in den tijd nog voortduurt, een tegenspraakvan het verschijnsel met zichzelf veroorzaakt en juist daardoor de phenomenen van heiligheid en zelfverloochening doet ontstaan. Toch kan dit alles slechts aan het einde van dit boek volkomen begrijpelijk worden