is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men in de jeugd den teugel vierde, later vrijwillig bedwongen, alleen omdat de tegenovergestelde motieven eerst nu tot de kennis zijn doorgedrongen.

Daarom ook zijn wij alle aanvankelijk onschuldig; wat alleen wil zeggen, dat noch wij, noch anderen het kwade van onze eigene natuur kennen; eerst in de motieven treedt dit aan het licht, en eerst met den tijd dringen de motieven tot de kennis door. Ten slotte leeren wij ons zeiven kennen, als geheel anders, dan wij ons a priori beschouwden, en dikwijls schrikken wij dan van ons zelf.

Spijt ontstaat nooit hieruit, dat de wil, maar dat de kennis gewijzigd is. Het wezenlijke en eigenlijke van hetgeen ik ooit gewild heb, moet ik ook nu nog willen; want ik zelf ben deze wil, die buiten den tijd en de verandering gelegen is.

Ik kan daarom geen spijt gevoelen over hetgeen ik gewild heb, wel echter over wat ik gedaan heb; omdat ik, door valsche begrippen geleid, iets anders deed, dan in overeenstemming was met mijn wil. Het inzicht hiervan, bij juiste kennis, is spijt.

Dit strekt zich niet alleen uit tot de levenswijsheid, tot de keuze van de middelen en de beoordeeling van het aangemeten zijn van het doel aan mijn eigenlijken wil, maar ook tot het eigenlijke ethische.

Zoo kan ik b.v. met meer egoïsme gehandeld hebben, dan strookt met mijn karakter, in dwaling gebracht zijnde door overdreven voorstellingen van de ellende, waarin ik zelf verkeerde, of ook door de list, de valschheid of de boosaardigheid van anderen, of ook doordat ik in overijling, d. w. z. zonder overleg handelde; bepaald, niet door in abstracto duidelijk gekende, maar door enkel aanschouwelijke motieven, door den indruk van het tegenwoordige en door de aandoening, die het verwekte, en die zoo sterk was, dat ik eigenlijk niet meer het gebruik mijner rede bezat; het terugkeeren van de bezinning is hier dan ook slechts een verbeterde kennis, waaruit spijt kan ontstaan, die zich dan openbaart door herstelling van hetgeen geschiedde, voor zoover dit mogelijk is.

Wij moeten hier echter opmerken, dat men, om zichzelf te vergissen, zich schijnbare overijlingen voorbereidt, die eigenlijk heimelijk overlegde handelingen zijn. Want wij bedriegen en nemen niemand anders door zoo fijne kunstgrepen beet, dan ons zelf.

Ook het omgekeerde geval kan zich voordoen; mij kan een al te goed vertrouwen in anderen, of onkunde van de betrek-