Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

motieven, waarvan het sterkste dan met noodzakelijkheid bepaalt.

Hiertoe namelijk moeten de motieven den vorm van abstracte gedachten aangenomen hebben, omdat alleen door middel van dezen een eigenlijke deliberatie, d. w. z. een wikken en wegen van tegenovergestelde redenen tot handelen, mogelijk is.

Bij het dier kan deze keuze slechts plaats hebben tusschen aanschouwelijk aanwezig zijnde motieven, waarom zij dan beperkt is tot de enge sfeer van zijn tegenwoordige, aanschouwelijke waarneming.

Daarom kan de noodzakelijkheid van de bepaling van den wil door het motief, welke gelijk is aan die van het gevolg door de oorzaak, alleen bij de dieren aanschouwelijk en onmiddellijk aangetoond worden, omdat de aanschouwer de motieven even onmiddellijk als hun werking voor oogen heeft; terwijl bij den mensch de motieven bijna altijd abstracte voorstellingen zijn, waaraan de aanschouwer geen deel heeft, en de noodzakelijkheid van haar werking zich zelf achter haar conflict voor de handelende verbergt.

Want slechts in abstracto kunnen meerdere voorstellingen, als oordeelen en aaneenschakelingen van gevolgtrekkingen, in het bewustzijn naast elkander liggen, en dan, vrij van alle tijdsbepaling op elkander werken, totdat de sterkste de overigen overheerscht, en den wil bepaalt.

Dit is de volmaakte keuze of geschiktheid tot deliberatie, welke de mensch op het dier vóór heeft, en waarom men hem vrijheid van wil toegekend heeft, meenende dat zijn willen een louter resultaat is van de operaties van het intellect, zonder dat een bepaalde drijfveer hem tot grondslag dient; terwijl in werkelijkheid, de motivatie slechts werkt op den grondslag en onder veronderstelling van zijn bepaalde drift, welke bij hem individueel, d. w. z. een karakter is.

Een uitvoerige uiteenzetting van deze geschiktheid tot deliberatie en het door haar veroorzaakte verschil van menschelijke en dierlijke willekeur, vindt men in de beiden „Grundproblemen der Ethik" waarnaar ik hier dus verwijs.

Overigens behoort dit vermogen tot deliberatie van den mensch ook tot de dingen die zijn bestaan zooveel ellendiger dan dat der dieren maken, zooals dan ook over het geheel onze grootste smarten niet in het tegenwoordige, als aanschouwelijke voorstellingen of onmiddellijk gevoel, liggen; maar in de rede, als abstracte begrippen, kwellende gedachten, waarvan het alleen in het tegenwoordige, en daarom in benijdenswaardige zorgeloosheid levende dier, volkomen vrij is.

Sluiten