Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De uiteengezette afhankelijkheid van het raenschelijk vermogen tot deliberatie, van het vermogen tot het denken in abstracto, dus ook van het oordeelen en het maken van gevolgtrekkingen, schijnt het geweest te zijn, die zoowel Cartesius als Spinoza verleid heeft, de beslissingen van den wil te identificeeren met het vermogen om met den wil in te stemmen of afstand van hem te doen (de oordeelskracht), waaruit Cartesius afleidde, dat de, bij hem onverschillig vrije wil de schuld draagt van alle theoretische dwalingen; Spinoza daarentegen, dat de wil door de motieven, zooals het oordeel door de redenen, noodzakelijk bepaald wordt, wat overigens wel juist is, maar als een ware gevolgtrekking uit valsche premissen voortvloeit.

Het aangetoonde verschil tusschen de wijze waarop het dier, en die waarop de mensch door de motieven bepaald wordt, strekt zijn invloed op het wezen van beiden zeer ver uit en draagt het krachtigst bij tot het diepingrijpende en in het oogloopende verschil in het bestaan van beiden.

Terwijl namelijk het dier steeds alleen door een aanschouwelijke voorstelling gemotiveerd wordt, streeft de mensch er naar, deze wijze van motivatie geheel en al buiten te sluiten, en zich alleen door abstracte voorstellingen te laten bepalen, waardoor hij zijn voorrecht der rede zoo voordeelig mogelijk benuttigt, niet het voorbijgaande genot of smart keert of vlucht, maar de gevolgen van beiden overweegt.

In de meeste gevallen — afgezien van de geheel onbeduidende handelingen, — worden wij bepaald door abstracte gedachte motieven, niet door tegenwoordige indrukken.

Daarom valt ons iedere afzonderlijke ontbering voor het oogenblik tamelijk gemakkelijk, maar iedere verloochening ontzettend zwaar; want de eerste treft slechts het voorbijsnellende tegenwoordige, deze echter de toekomst, en sluit daarom tallooze ontberingen in zich, wier aequivalent zij zelf is.

De oorzaak van onze smart, zoowel als van onze vreugde, ligt daarom meestal niet in het werkelijk tegenwoordige, maar alleen in abstracte gedachten; dezen zijn het, welke ons dikwijls ondragelijk vallen, en smarten veroorzaken, in vergelijking waarvan alle lijden in de dierenwereld zeer klein is, daar wegens haar, zelfs onze eigen physieke smart niet waargenomen wordt, ja, wij bij hevig geestelijk lijden ons zeiven physieke smarten veroorzaken, alleen om daardoor onze aandacht van de eerste af te leiden op dezen; daarom rukt men zich, bij grootegeestelijke smarten, de haren uit, slaat men zich op de borst, doorkerft men zijn aangezicht, en wentelt men zich over

Sluiten