Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te onttrekken, en daarom wel de mogelijkheid der volmaakte uiting van het individueele karakter noodzaakt, maar volstrekt niet beschouwd kan worden als vrijheid van een afzonderlijk willen, d. w. z. als onafhankelijkheid van de causaliteits-wet, welker noodzakelijkheid zich uitstrekt, zoowel tot den mensch, als tot ieder ander verschijnsel.

Tot op het aangegeven punt dus, en niet verder, gaat het onderscheid, wat de rede, of de kennis door middel van begrippen, tusschen het menschelijk en het dierlijk willen veroorzaakt

Ofschoon alles beschouwd kan worden als door het noodlot onherroepelijk vooraf vastgesteld, geschiedt dit toch slechts alleen door middel van een aaneenschakeling van oorzaken. Daarom kan in geen enkel geval vooraf bepaald zijn, dat een gevolg plaats grijpe, zonder zijn oorzaak.

Niet de gebeurtenis dus is vooraf bepaald, maar de oorzaken, die er aan voorafgaan; daarom wordt niet alleen het gevolg, maar ook de middelen, als wier gevolg zij bestemd is zich voor te doen, door het noodlot bepaald. Doen dus de middelen zich niet voor, dan ook zeker niet het gevolg.

Zooals de gebeurtenissen steeds plaats hebben, overeenkomstig het noodlot, d. w. z. in de eindelooze aaneenschakeling der oorzaken, zoo ook steeds onze daden overeenkomstig ons intelligibel karakter; maar daar wij dezen niet vooruit weten, is ons daarin ook geen inzicht a priori gegeven; alleen dus a posteriori, door de ondervinding leeren wij, evenals de anderen, ook ons zeiven kennen.

Bracht het intelligibile karakter met zich mede, dat wij een goed besluit tegen een booze neiging niet dan na een langdurigen strijd konden nemen, dan moest deze strijd voorafgaan en afgewacht worden.

De reflexie over de onveranderlijkheid van het karakter, over de eenheid der bron, waaruit al onze daden voortvloeien, mag ons niet verleiden, ten gunste noch van het eene, noch van het andere gedeelte de beslissing van het karakter uit te laten vallen; aan het daaruit voortvloeiende besluit zullen wij kunnen herkennen, van welken aard wij zijn, ons zeiven in onze daden spiegelen.

Hierdoor verklaart zich de zelfvoldoening of de zielsangst, waarmede wij op den afgelegden levensweg terugblikken; beiden ontstaan niet hieruit, dat die vervlogen daden nog een bestaan bezitten; zij zijn verleden, zij zijn geweest, en zijn niets meer; maar haar groot gewicht voor ons spruit voort

Sluiten