is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit haar beteekenis, en komt daar vandaan, dat deze daden de afdruk van het karakter, de spiegel van den wil zijn, waarin wij ons innigste eigen, den kern van onzen wil leeren kennen.

Daar wij dit niet vooraf, mae.r slechts daarna ondervinden, komt het ons voor, dat wij in den tijd streven en strijden, juist opdat het beeld, wat wij door onze daden tot stand brengen, zoo uitvalle, dat zijn aanblik ons zoo veel mogelijk geruststelle en geen angst aanjage.

De beteekenis echter van deze geruststelling of dezen zielsangst, zal, zooals wij zeiden, later onderzocht worden. Hier moeten wij intusschen nog het volgende bijvoegen.

Naast het intelligibile en het empirische karakter, moeten wij nog melding maken van een derde, dat van de beide anderen verschilt; namelijk van het verworven karakter, dat men eerst in het leven door den omgang met de wereld verkrijgt, en waarvan sprake is, wanneer men geprezen wordt als een man van karakter, of veracht als een karakterloos mensch.

Weliswaar zou men van meening kunnen zijn, dat, daar het empirische karakter, als verschijnsel van het intelligibele, onveranderlijk, en evenals ieder natuurverschijnsel in zich consequent is, ook de mensch daarom aan zichzelf gelijk en consequent zou moeten voorkomen, en het hem volstrekt niet noodig ware, zich door ondervinding en nadenken, op kunstmatige wijze een karakter eigen te maken.

Dit is echter niet zoo het geval, en alhoewel men steeds dezelfde is, begrijpt men zich toch niet ten allen tijde, maar kent men zichzelf dikwijls verkeerd, totdat men tot op zekeren graad de ware zelfkennis verkregen heeft.

Het empirische karakter is, als loutere natuurdrift, in zich onredelijk; ja, zijn uitingen worden zelfs nog door de rede gehinderd, en wel des te meer, naarmate de mensch meer bedachtheid en denkvermogen bezit. Want deze houden hem steeds voor, wat de mensch in het algemeen, als soortkarakter toekomt, en hem in willen en verrichten, mogelijk is. Hierdoor wordt hem het inzicht bemoeilijkt in datgene, wat onder alle anderen hij alleen, krachtens zijn individualiteit, wil en kan.

In zichzelf vindt hij den aanleg tot alle menschelijk streven en alle vermogens, hoe verschillend zij ook zijn mogen, maar het verschil van hun graad in zijn individualiteit wordt hem niet zonder de ervaring duidelijk; en wanneer hij nu het stre-